Een vakantieoord in het brede
grazige dal van de Adda, het bovendeel van het Valtellina
ten westen van het Ortles-gebergte.
(1225 m; 4200 inw.) Iets hoger ligt het kuuroord Bagni di
Bormio, waar u uitzicht heeft op Bormio en het dal. Vanwege
het feit dat Bormio tot tweemaal toe de
wereldkampioenschappen wintersport heeft mogen organiseren,
zou men meer allure verwachten. Maar Bormio zelf is
eenvoudig gebleven. Het was ooit een belangrijke
pleisterplaats tussen Venetië en Zwitserland. Uit die tijd
is de kleine oude kern met zijn kerken en verscheidene oude
huizen die opgesierd zijn met fresco's, mooie portalen en
ijzer-smeedwerk overgebleven. Aan het centrale plein staat
de 12e-eeuwse romaanse kerk S. Vitale. Aan hetzelfde plein
staat tevens de voormalige kerk S. Spirito (nu Casa Bianchi
met in het interieur laatgotische fresco's) en voorts het
vroegere stadhuis met de massieve Torre del Commune. Aan de
Via Roma staat de fraaie toren van het Casa Pedranzini. In
het hoogste deel van het plaatsje staat het Palazzo De
Simoni, waarin een streekmuseum is gevestigd. Net boven
Bormio liggen de botanische alpentuin, de Giardino Botanico
Aipino Rezia en het Museo Mineralogico Naturalistico. Bij
het verkeersbureau aan de Via Stelvio 10 is informatie over
Bormio en de streek te krijgen.
Ten zuiden van Bormio loopt een op enkele gedeelten zeer
smalle weg naar Bormio 2000, het nieuwe wintersportoord dat
ook per zweefbaan is te bereiken, 's Zomers is het een
uitgangspunt voor wandelingen in het hooggebergte en tevens
een van de grootste zomerskiccntra van Europa. Hier begint
de zweefbaan naar de Cima Bianca (3020 m). Bagni di Bormio
(1335 m), circa 3 km ten noorden van Bormio, bestaat uit
twee gedeelten. Bagni Vecchi, het oude gedeelte, bezit nog
baden uit de Romeinse tijd (onder andere de Pliniusbron, nu
voor drinkkuren in gebruik) en daar bevindt zich de S.
Martinogrot die dient als 'sudatorium' (transpiratiekuur).
Bagni Nuovi is uitgerust met moderne baden en een groot
thermaal zwembad. Negen warme bronnen ontspringen in het
parklandschap van sparrenbossen en weiden aan de voet van de
imposante Monte Reit (3075 m). Er zijn volop mogelijkheden
voor wandelingen in de directe omgeving (het
inlichtingenbureau geeft een kaart uit), maar de meeste
aandacht trekt toch het Ortlesgebergte.
Bergstortingen
Vijftig miljoen kubieke meter gesteente stortte zich op 28
juli 1987 in het Valtellina (tussen Tirano en Bormio). De
massa bereikte hier en daar een hoogte van 100 meter
waardoor achtereenvolgens de dorpen Morignone, Sant'Antonio
Morignone en Aquilone weggevaagd werden. Vier dagen voor de
catastrofe hadden geologen een plotselinge inzinking van de
dalflank geconstateerd van 1,50 m binnen enkele uren. Zij
sloegen alarm en de dag daarop werden de meeste bewoners
geëvacueerd; desondanks vonden 28 mensen de dood. Voor
geologen zijn bergstortingen in de Alpen een normaal
natuurverschijnsel, dat deel uitmaakt van de vorming en de
afbraak (erosie) van het gebergte. Wat omhoog gedrukt is
komt op een vroeg of laat moment ook weer omlaag, een
mechanisme waarmee de natuur een gigantische kringloop in
gang houdt. De aarde verandert voortdurend en drastisch,
gezien in tijdseenheden die niet tot de menselijke maatstaf
behoren. De bergstorting deed een natuurlijke stuw ontstaan,
waarachter een meer werd gevormd dat werd gevoed door de
uitzonderlijk hoge neerslag in dat najaar van 1987. Een
tweede catastrofe zou hebben plaatsgevonden als men niet
snel een diepe sleuf had uitgegraven waardoor het meer kon
afvloeien naar de Adda. Bij Longarone in het dal van de
Piave (zie substreek 4.5) heeft zich iets dergelijks
voorgedaan. Nu ligt er ten zuiden van Bormio een
gigantische, kale, troosteloze steenmassa, waar overheen een
nieuwe weg is aangelegd. Op enkele plaatsen probeert een
plant weer een plaatsje te veroveren.
|