Apennijnen
/Appennino
Onder Apennijnen
(afgeleid van het Keltische woord 'pen' = berg) verstaat men
de ongeveer 1400 km lange en 30 tot 150 km brede bergketen
die zich in een bocht over het gehele Italiaanse (of 'Apennijnse')
schiereiland uitstrekt, van de Alpen aan de Ligurische Golf
tot aan de zuidwestpunt van Calabrië en die zich tot op
Sicilië voortzet.
Appennino Pistoiese
Het gebergte, dat in het
secundaire en tertlaire tijdperk is ontstaan, is een jong
plooiingsgebergte waarvan de naar de Povlakte en de
Adriatische Zee gerichte en uit sedimentgesteente opgebouwde
buitenkant een zachtglooiende helling vertoont. De holle
zijde daarentegen daalt ingevolge latere breuken steiler
naar de zee en naar het bekkenlandschap van Toscane, Umbrië
en oostelijk Latium af. De noordelijke en centrale
Apennijnen die in de Monte Cimone (2165 m) hun hoogste top
bereiken bestaan uit paralelle ketens met aaneengesloten
kammen die op 650-1300 m hoogte door auto en spoorwegen
woruen doorkruist Het gesteente bestaat hier voornamelijk
uit zandsteen, leisteen, kalksteen en mergel die het
landschap met zijn zacht glooiende hellingen en ronde
bergtoppen bepalen, maar tevens vanwege hun verweerbaarheid
na hevige regenval oorzaak ziin van steenslag en zelfs
aardverschuivingen ('frane'). Veel steilere vormen vertonen
de uit dolomiet en kalksteen opgebouwde bergen, waarin zich
diepe karstvorens ontwikkeld hebben, en die in de eerste
plaats het aanzicht bepalen van de 2478 m hoge Monti
Sibillini en van de 2914 m hoge Gran Sasso d'ltalia de
hoogste top van de Abruzzen (z. aldaar)
In het noorden gaan de
Abruzzen over in de vrij lage Napolitaanse Apennijnen en de
LucanischeApennijnen die op hun beurt in het Bergland van
Calabrié uitmonden. Dit laatste behoort echter nauwelijks
meer tot de Apennijnen. Het voornamelijk uit gneisen en
granieten bestaande gebergte met het 1930 m hoge
Silagebergte en de Aspromonte (1958 m), doet door de mooie
loof en naaldbossen meer denken aan middelgebergten in
Duitsland.
Het KLIMAAT van de
Apennijnen is in de hoger gelegen streken vrij guur. In de
noordelijke Apennijnen is een overvloedige regenval, terwijl
in de laaggelegen dalen 's zomers mediterrane temperaturen
en droogte heersen.
De FLORA aan de voet van
de Apennijnen toont de kenmerken van het Middellandse
Zeegebied: tamme kastanjes, olijfbomen, vijgen en
amandelbomen en de wijnstok. Daarboven volgt een bosgebied
met overwegend beuken en naaldbomen. Helaas is ook hier de
oorspronkelijke bebossing in de loop der eeuwen sterk gedund
en door de altijd groene maquis verdrongen. Dit is ook de
reden dat in deze contreien het grote wild geheel ontbreekt.
De waterstand van de rivieren is zeer onregelmatig. Boven de
1800 m zijn de hellingen bedekt met stenen bezaaide
bergweiden.
Appennino Pistoiese
Het tot de provincie Pistoia
behorende gedeelte van de Appennino Tosco-Emiliano, ten
noordwesten van de stad Pistoia, wordt gewoonlijk aangeduid
als Appennino Pistoiese. Het is een bosrijk gebied, dat door
de rijke vegetatie en de schone lucht erg in trek is bij
Toscaanse stedelingen. Er kunnen fraaie wandelingen worden
gemaakt en bovendien bieden de wat hoger gelegen dorpen 's
winters skimogelijkheden.