Uit het aangenaam ogende, beboste en
glooiende landschap van Zuid
Bohemen verheft zich de
uit historisch oogpunt zeer belangwekkende
stad Tábor (35.000 inw.).
De plaats is gelegen aan de grote weg van Praag naar het
Oostenrijkse Linz (E14). In Praag vertrekt de bus naar Tábor
van
station Florenc. De reistijd is ongeveer
anderhalf uur.
Tábor
Van alle historische steden van Bohemen is
Tábor zeker één van de aardigste.
De ongeschonden staat waarin de oude kern verkeert, de vele
smalle straatjes en de prachtige ligging
trekken dan ook flink wat toeristen, vooral uit Oostenrijk.
In de Middeleeuwen stond op de plaats van het
huidige Tábor een nederzetting die aan het eind van de 13e
eeuw werd platgebrand. Alleen de
vesting
Kotnov bleef over (waarvan nu nog steeds resten te zien
zijn), een situatie
die anderhalve eeuw onveranderd bleef Op geringe afstand
bevond zich een andere burcht, Kozí
Hrádek,
waar van 1412
tot 1414 de predikant
Jan Hus zijn toevlucht zocht. In het
nabijgelegen plaatsje
Sezimovo Ustí
ontstond onder
zijn invloed de eerste georganiseerde hussitische
gemeente in Zuid-Bohemen.
Ook elders in het land vond Hus gehoor,
vooral in Praag. Omdat
Hus' volgelingen in aantal groeiden, werden zij
uit Sezimovo Usti
verdreven. De bannelingen lieten toen hun oog vallen op de
berg waarop de vesting Kotnov stond. In 1420 stichtten
militante
hussieten daar een nederzetting die zij Hradi"sté noemden.
Aan de berg
gaven
zij de bijbelse naam Tábor. Het werd het middelpunt van de
radicale tak van de hussitische beweging en oefende een
geweldige aantrek
kingskracht uit op de arme
plattelandsbevolking. De taborieten, zoals de
fanatieke hussieten genoemd
werden, brachten er hun idealen in de praktijk. Het
privé-bezit werd vrijwel afgeschaft. De bewoners moesten
hun persoonlijke
eigendommen in grote tonnen deponeren, zodat op basis
van sociale gelijkheid een christelijke gemeenschap gevormd
kon worden. Later
stelde de communistische propaganda deze gemeenschap
graag als een
middeleeuwse socialistische samenleving voor. Aan het
hoofd van de strijdbare
hussieten stond Jan
Ziika, een
éénogige ijzervreter
uit Trocnov. Onder zijn aanvoering trok het leger van
hussieten door
het land, waarbij zij grote verwoestingen aanrichtten aan de
bezittingen van de
katholieke kerk. Tábor was hun steunpunt en uitvalsbasis.
Ondanks Zitka's dood in 1424 duurde het nog tot 1434
voordat Tábor door de
katholieke overmacht ingenomen kon worden. Maar liefst vijf
belegeringen had de vesting op de berg toen al weerstaan.
Daarop volgde een politieke en economische neergang,
die zijn dieptepunt
bereikte tijdens de Dertigjarige Oorlog. Pas omstreeks het
midden van de 18e
eeuw begon Tábor er weer bovenop te komen. De stad groeide
uit tot een
belangrijk handelscentrum, verkeersknooppunt en administratief
centrum van Zuid-Bohemen.
Het stadshart herinnert
natuurlijk sterk aan deze bewogen geschiedenis. Zo is
in het gotische raadhuis een
museum
ingericht dat geheel
gewijd is aan de
hussitische beweging. Het gebouw zelf werd tussen 1440 en
1515 gebouwd en heeft een opmerkelijke decoratieve
lijst van maaswerk en
drie gevelspitsen. De zware toren, gelijkend op een donjon,
weerspiegelt nog
het vestingkarakter van Tábor. Het markantste deel van het
raadhuis is de
laatgotische zaal, waarvan het gewelf rust op twee
achthoekige pijlers.
Het stadswapen en verscheidene 16e-eeuwse inscripties sieren
de wanden. Aan de stenen tafels vóór het raadhuis
hielden de hussieten hun religieuze eredienst.
De grootste blikvanger aan het marktplein (Zitkovo
námésti) is de witgepleisterde kerk
uit
de
16e eeuw.
Zijn de
spitsbogige ramen nog typisch gotisch, de gevelspitsen en de
toren (die beklommen kan worden) vertonen
de kenmerken van de Boheemse Renaissance. Om het plein staan
mooie huizen,
waarvan sommige versierd zijn met sgraffito. Aan het
plein vindt u ook een
restaurant met een drukbezocht terras. Ervoor staat
een 19e-eeuws monument dat opgericht is voor jan 2izka.
Vandaar leiden de meeste
straten naar de stadsmuur, vanwaar u
een prachtig uitzicht
heeft over het heuvelland met in de diepte de rivier de
Luznice. Onder het gehele oude centrum bevindt zich
een compleet doolhof van onderaardse gangen, die tijdens de
Hussietenoorlogen als schuilkelder
diende. Het
gangenstelsel is voor het publiek toegankelijk (toegang via
het raadhuis).
Behalve de talrijke historische huizen bezit de stadskern
ook nog een
gotische
kerk
uit
1512. Ook treft u er een
barokke
kloosterkerk
uit het
midden
van de 17e eeuw aan, een tijd waarin de bevolking weer
massaal overging
op het katholicisme.
Vergeet niet een bezoek te brengen aan de toren die nog rest
van de
burcht Kotnov
naast de stadspoort. Daar is een afdeling van het museum
gevestigd. Als u onder de poort doorloopt, komt u bij het
park Na Kotnoveni,
waar u 19e-eeuwse grafmonumenten vindt en kunt genieten van
een mooi uitzicht. Pal
naast het oude stadscentrum ligt het grote kunstmatige
meer Jorddn. De naam is in deze omgeving natuurlijk geen
toeval: hier
vonden de doopplechtigheden van de hussieten plaats. Het
meer was echter in de eerste plaats aangelegd ten
behoeve van de drinkwatervoorziening, waar het nog steeds
voor wordt gebruikt. Bovendien kunt u
in het
prachtig gelegen meer prima zwemmen.
De omgeving van Tábor biedt verschillende
excursiemogelijkheden. Op
loopafstand (de route is met pijlen aangegeven) ligt
Klokoty,
een pelgrimskerk
die gewijd is aan Maria. Het goed onderhouden, spierwitte
bouwwerk dateert
van 1730 en heeft een prachtige rozentuin. In 1990
heeft de congregatie van benedictijnen, die de kerk
beheerde, zich na een
gedwongen afwezigheid van 40 jaar weer in het klooster
gevestigd. Ten
zuiden van de stad bevindt zich het dal van de rivier de
Luznice. Op 12
kilometer afstand van Tábor ligt daar de ruïne van de burcht
Pribénice.