Een weg
landinwaarts leidt naar het 18de-eeuwse slot bij Mohora
(1000 inw.) dat qua uiterlijk sterk doet denken aan de
vroegbarokke Slowaakse landhuizen.
De
afgelegen, vroeger moeilijk bereikbare gehuchten in het
Cserhátgebergte
en de dorpen aan weerszijden van de (grens)rivier Ipoly zijn
het
domein van de Palotzen
(palóc). Het is niet duidelijk of het hier gaat om
een Hongaars (Magyaars) volk, om een volk dat met de
Magyaren meegekomen is of om een ander volk van onbekende
herkomst. Een feit is dat
de Palotzen nagenoeg de
enige Hongaren zijn die een dialect spreken. De
geografische
omstandigheden hebben de vorming van dialecten in
Hongarije niet in de
hand gewerkt. Alleen een Palotz is nog herkenbaar aan zijn
afwijkende woordgebruik, al moet worden gezegd dat het
aantal Palotzen dat het dialect nog beheerst, snel afneemt.
De dorpen die de Palotzencultuur het langst hebben kunnen
bewaren, liggen
aan de andere kant van de Cserhát (zie onder meer Hollókó,
verderop in dit
hoofdstuk). Veel herinneringen aan de Palotzen zijn terechtgekomen
in het Palóc
muzeum (Palócliget
1; di: za. 10-16 u.) in het industrie- en
marktstadje Balassagyarmat (18.000 inw.), vlak tegen de Slowaakse
grens aan. Er is overigens veel verloren gegaan in 1945;
vrijwel de
gehele collectie moest opnieuw worden opgebouwd. Op de
binnenplaats
staat een boerderij uit de streek. Verder zijn er
herinneringen aan de uit deze stad afkomstige 19de-eeuwse
schrijvers Madách en Mikszáth.