|

Frankrijk
informatie
Frankrijk
is een land van tegenstellingen: in het zuiden worden
rijst en bananen verbouwd; in de eertijds Duitse Elzas
brouwt men bier; in het zuidoosten liggen de ruim 750 m
diepe Gorges de Verdon, terwijl het vlakke landschap in
het noordwesten één geheel met Vlaanderen vormt; en de
rijke wijngaarden van Bourgogne contrasteren weer sterk
met het ruige en woeste Bretonse schiereiland.
Voor
velen zal de enorme ruimte van het land een van de
grootste attracties van een bezoek aan Frankrijk vormen.
Aangezien het betrekkelijk dun bevolkt is, liggen de
steden op grote afstand van elkaar en zodra men de grote
wooncentra verlaat, zal men slechts weinig
en dan nog zeer verspreide dorpen aantreffen.
Sedert de Tweede Wereldoorlog zijn er veel mensen van
het platteland naar de grote steden getrokken. Dit geldt
vooral voor gebieden als Bretagne, Auvergne, de Alpen en
de Pyreneeën, waar mechanisatie van het boerenbedrijf
moeilijk of onmogelijk is. Men vindt er onbewoonde,
vervallen boerderijen die in toenemende mate een functie
gaan vervullen als tweede woning, ook voor Nederlanders.
Frankrijk heeft ongeveer 53 miljoen inwoners. 1/5 deel
hiervan woont in of in de directe omgeving van de
hoofdstad Parijs.(12 miljoen) De meeste mensen in
Frankrijk zijn Katholiek.
Het land is verdeelt in 95 Departementen en 4 overzeese
gebiedsdelen.(Guadeloupe, Guyana, Martinique en RJ union.
In de Romeinse tijd werd het Galie genoemd. Aan de
westkant van het land ligt de Atlantische Oceaan en aan
de zuidkant de Middellandse Zee.
Tot 1789 was Frankrijk een koninkrijk. Bekende koningen
zijn Lodewijk de 14de en 16de. Zeer belangrijk voor de
tijd na het koninkrijk was Napoleon.
Sinds 1970 is het een republiek. In het noorden zijn veel
kolenmijnen en er is ook aardgas.
Frankrijk is het derde toeristische land in Europa.
De
bevolking
De 50 miljoen Fransen die ervan beschuldigd worden
verwaand en aanmatigend te zijn, zijn waarschijnlijk het
meest miskende volk van de wereld. Zodra men hen neemt
zoals ze zijn, blijken zij hartelijk, vrien
delijk, behulpzaam en
vooral op het platteland
gastvrij te zijn.
Eten
en drinken
Frankrijk is een van de vruchtbaarste landen ter wereld en
het voedsel van de rijke bodem wordt door inventieve
koks dagelijks tot feestmalen omgetoverd. Maar als koken
in Frankrijk een ambacht is, dan is eten er een kunst.
Het zal dan ook niet vaak voorkomen dat u er slecht te
eten krijgt. Gaat u niet teveel af op het uiterlijk van
de diverse eetgelegenheden. In de steden kan men
behoorlijk eten in de stationsrestauraties die zich
specialiseren in de gerechten uit de streek. En wanneer
u ergens langs de weg een vrachtwagenchauffeur ziet
stoppen om bij een van de 'Routiers' te gaan eten, dan
kunt u zijn voorbeeld gerust volgen. Overigens is het
ook mogelijk om elke dag heerlijk te piknikken met
broodjes en vleeswaren uit de plaatselijke patisserie en
charcuterie.
Wij kunnen ons Frankrijk moeilijk voorstellen zonder de
wijngaarden die jaarlijks ongeveer 60 miljoen hectoliter
wijn opleveren. De betere wijnen dragen de naam van het
chateau of de wijngaard waar zij gebotteld werden en ze
zijn niet goedkoop, maar de vin ordinaire (landwijn) is
soms goedkoper dan melk. De wijngebieden zijn even
verschillend als de wijn die er geproduceerd wordt. De
beste tijd voor een bezoek is in de herfst, wanneer door
het hele land de druivenoogst
de vendange
wordt gevierd. Het is echter het hele jaar door
de moeite waard de wijnstreken te bezoeken, want ieder
gebied heeft zijn eigen 'wijnroute', zijn wijnmuseum en
bovendien de kelders waar de wijn kan worden geproefd.
Badplaatsen
en sport
Frankrijk beschikt over drie verschillende kustgebieden:
de Kanaalkust in het noorden, de Atlantische kust in het
westen en de zuidelijke MiddellandseZeekust. Deze kusten
zijn eik voor zich zeer verscheiden. Picardië, Normandië
en Bretagne liggen bijvoorbeeld alle drie aan het Kanaal
en zijn toch alle drie weer anders. Drie kusten, drie
zeeën en drie klimaten; samen beslaan ze een afstand
van ongeveer 4 500 km, met wijde baaien, diep in het
land dringende kreken en riviermonden en met dennen
omzoomde zandstranden. Dit alles afgewisseld met 350
grote badplaatsen en wel drie maal zoveel kleinere. Voeg
hier nog bij 100 kuuroorden en 120 vakantieoorden in de
bergen en u zult begrijpen dat Frankrijk aan ieders
smaak kan voldoen.
Na het midden van september kunnen weekendwandelingen in
de bossen gevaarlijk zijn, vooral in het zuiden, want
dan is het jachtseizoen in volle gang. Rijen mannen die
met het geweer in de aanslag door een bietenveld
trekken, of langs de kant van de weg opgesteld zijn, met
hun honden roerloos van opwinding naast zich, leveren
een vertrouwde aanblik op. De jacht bereikt dan zo'n
koortsachtige hoogte, dat broers en vrienden maar al te
vaak voor een fazant of merel worden aangezien en door
een schot hagel getroffen worden. De jacht varieert van
het schieten op wilde eenden in de Camargue tot wilde
zwijnen in het Massif Central.
In de Alpen, de Pyreneeën en de bergen van Auvergne
worden de mogelijkheden tot skiën en bergbeklimmen
steeds groter. De laatste tijd wordt er ook op de
bergmeren veel aan watersport gedaan.
Verblijfsaccommodatie
en vervoer.
De hoofdwegen in Frankrijk zijn goed. Vanuit Nederland is
er een vierbaansautoweg via Antwerpen en Rijssel om
Parijs heen tot de Cote d'Azur. Tegen betaling van
tolgeld kan men van deze snelle doorgaande verbinding
gebruik maken.
Frankrijk is nu eenmaal een groot land; daarom kan het
afleggen van langere afstanden eentonig worden en
bepaalde streken zullen zo op het oog niet erg
aantrekkelijk lijken. In zulke gevallen bieden de Franse
spoorwegen uitkomst met de autoslaaptreinen; dit zijn
sneltreinen waarin men ook vanuit ons land, met de auto,
vervoerd kan worden naar Biarritz, Toulouse, Narbonne,
Avignon en Lyon. Een spoorwegnet van in totaal zo'n 40
000 km doet 5000 stations aan. De treinen rijden
bijzonder punctueel en de diensten zijn zo uitgebreid
dat zij grotendeels het busverkeer op lange afstand
vervangen. Dit geldt echter niet voor het plaatselijke
busverkeer dat de dienst onderhoudt tussen de stations
aan deze spoorwegen en het achterland. Langs de wegen
vindt men meer dan 14 000 hotels die voldoen aan de
strikte eisen die de Franse regering stelt. A1 deze
hotels zijn wettelijk verplicht in al hun kamers een
kaartje met de prijs van deze kamer op te hangen en geen
enkel Franse hotelier zal
er bezwaar tegen maken als een gast de kamer eerst wil
bekijken.
Frankrijk
INTRODUCTIE
Frankrijk (La France; officieel: République
française), republiek in West-Europa, 543 965
km2, met 58 miljoen
inw. (107 inw. per km2); hoofdstad: Parijs. De Franse staat omvat,
naast Europees Frankrijk als integrerend deel, de
overzeese departementen: Guadeloupe, Frans Guyana,
Martinique en La Réunion, de ‘collectivités
territoriales’ Îles Saint-Pierre et Miquelon en
Mayotte, en vier overzeese territoriën: Nieuw-Caledonië,
Vanuatu, Frans Polynesië en Wallis en Futuna. Frankrijk
maakt aanspraak op een deel van Antarctica: Adélieland.
Munteenheid is de franc (F), verdeeld
in 100 centimes. Nationale feestdag is 14 juli, de dag
waarop de bestorming van de Bastille in 1789 plaatsvond.
1. FYSISCHE GEOGRAFIE
1.1 Geologie
Frankrijk bestaat vnl. uit vijf grote geologische eenheden:
het Cadomisch orogeen, het Variscisch orogeen, het
alpine orogeen, het Bekken van Parijs en het Bekken van
Aquitanië. Het Cadomisch orogeen is ontsloten in het
Armorikaans Massief. Sedimentatie en vulkanisme vonden
plaats tijdens het laatste gedeelte van het Precambrium;
de plooiing is van vroeg-cambrische ouderdom. Gedeelten
van het Variscisch orogeen vindt men op vele plaatsen in
Frankrijk. Gesteenten, gevormd of geplooid tijdens de
Variscische orogenese, komen voor in de Ardennen,
Vogezen, Bretagne, Massif Central (Centraal Massief),
Pyreneeën en in de alpine centrale massieven als Mont
Blanc, Aiguilles Rouges, Belledonne, Mont Pelvoux en
Argentera. Behalve de Ardennen bestaan de meeste
Variscische gesteenten uit kristallijne schisten en
intrusieve granieten. Niet-gemetamorfoseerde paleozoïsche
sedimenten komen betrekkelijk weinig voor, behalve in de
Pyreneeën en Bretagne. Al deze gebieden, in de
ondergrond verbonden, vormen een uitgebreid gebied van
metamorfe en intrusieve gesteenten.
Het alpine gebergte vormt in Oost-Frankrijk de
West-Alpenboog (zie Alpen); daarnaast vindt men alpine
geplooide gesteenten aan de noordrand van de Pyreneeën.
Ofschoon intensieve plooiing en regionale metamorfose
eveneens in de Alpen voorkomen, is dit gebergte toch van
geheel andere aard dan het Variscische. Men onderscheidt
verscheidene zones in het Franse deel van de Alpen, en
wel: a. de Jura, bestaande uit geplooid Mesozoïcum
dat over de Trias anhydriet is afgeschoven (decollement);
b. de Helvetische zone, die in tegenstelling tot
deze zone in Zwitserland niet uit dekbladen, maar uit
autochtone plooien bestaat, en c. de Penninische
zone, die wel uit dekbladen bestaat en waar de meeste
gesteenten in regionaal metamorfe toestand voorkomen.
Variscische centrale massieven worden tot de Helvetische
zone gerekend. Daarnaast bestaat het alpine gebergte in
Frankrijk grotendeels uit mesozoïsche gesteenten.
Gesteenten van dezelfde ouderdom vindt men in de Bekkens
van Parijs en Aquitanië, waar zij evenwel vrijwel
ongeplooid zijn. Deze bekkens vormen de epicontinentale
bedekking van het Variscisch grondgebergte, waarop zij
dus discordant liggen. In de Alpen is het Variscisch
gebergte gedeeltelijk meegeplooid tijdens de alpine
orogenese.
1.2 Geomorfologie
Schematisch onderscheidt men in Frankrijk twee grote delen.
Noord- en West-Frankrijk, die deel uitmaken van de
West-Europese laagvlakte, worden gekenmerkt door een
gematigd reliëf: kustvlakten, brede valleien, grote
sedimentaire bekkens met golvend reliëf en heuvelrijen,
evenals oude, gedenudeerde kristallijne massieven. Zuid-
en Oost-Frankrijk worden getypeerd door hoge reliëfvormen,
variërend van oude massieven met min of meer sterk
uitgesproken reliëfvormen tot jonge gebergteketens.
Tussen deze hoge reliëfvormen komen
belangrijke, in de meeste gevallen noord-zuidgerichte
depressies voor.
De oude massieven: a. het Armorikaans
Gebergte omvat naast de aan de randen gelegen
massieven: Centraal Bretagne (tot 384 m hoog), ‘Bocage
normand’ (tot 417 m hoog) en de ‘Gâtine vendienne’
(tot 295 m hoog), bestaande uit harde kristallijne
gesteenten. b. De Vogezen zijn aanzienlijk
hoger (tot 1426 m), vooral de zuidelijke hoge
kristallijne gebergten. c. Het Massif Central
(gemiddeld 715 m hoog) is een oud Variscisch vervlakt
gebergte met een algemene helling van oost naar west. De
kern omvat hoge, versneden kristallijne massieven (Monts
du Forez, 1640 m), vulkanische gebergten (Chaîne des
Puys) en basaltplateaus (Aubrac, Velay). d. Corsica
en de kustmassieven van Maures en Estérel werden
door de alpine plooiing zeer sterk opgestuwd en
sindsdien door de erosie sterk aangetast, zodat zij een
vrij chaotisch reliëf vertonen, dat in Corsica (Monte
Cinto, 2710 m) zelfs alpine allures aanneemt. e.
De Ardennen omvatten bij de Belgische grens een
klein deel van Noordoost-Frankrijk.
De jonge gebergten: a. de Pyreneeën
vormen een massieve rechtlijnige keten van 450 km
lengte. Slechts een paar toppen overschrijden de 3000 m
(Vignemale, 3298 m), terwijl ook de gletsjers zeer
beperkt zijn. Het gebergte omvat in hoofdzaak opgestuwde
kristallijne massieven. De valleien zijn alle loodrecht
op de keten. b. Het Franse deel der Alpen
vormt een 350 km lang boogsegment met jonge, hoge reliëfvormen.
De noordelijke Alpen vertonen een duidelijk door
gletsjers beïnvloede morfologie (Mont Blanc, 4807 m).
Zij zijn vochtig en hebben sterke sneeuwval in de
winter. De zuidelijke Alpen zijn lager, werden minder
door de gletsjers beïnvloed en vertonen een meer
onrustig reliëf; zij zijn veel droger. c. De Jura
bestaat uit een lagere (meer dan 500 m, maximaal 1723 m
hoog), compacte, sikkelvormige keten die zich over 250
km lengte en ca. 60 km breedte van het Massief van de
Grande Chartreuse tot Noordoost-Zwitserland uitstrekt.
Naast de oostelijke geplooide ketens omvat zij in het
westen brede kalkplateaus.
De sedimentaire bekkens: a. Het Bekken
van Parijs strekt zich uit over een derde deel van
Frankrijk. Het werd opgebouwd door een reeks
sedimentaire lagen van wisselende hardheid die
aanleiding gaf tot plateaus, cuestaheuvelruggen (côtes)
en vlakten. Van het centrum naar de rand toe
onderscheidt men het Île de France, de randplateaus uit
de Krijtperiode (Champagne, Picardië, Normandië), die
uit de Jura (Lorraine, Basse Bourgogne, Berry, Campagne
de Caen) en, in het oosten, de plateaus uit de Triastijd
(Saulnois). b. Het Bekken van Aquitanië
omvat, naast de kalkplateaus van Aunis, Saintonge, Périgord
en Quercy ten noorden van de Garonne, de grote door
rivieren versneden puinkegel, die zich waaiervormig aan
de voet der Pyreneeën uitstrekt (Plateau de Lannemezan,
Armagnac) en de uitgestrekte zandvlakte van de Landes.
1.3 Hydrografie
De meeste Franse stromen ontspringen in het gebergte, vooral
in Massif Central, Alpen, Pyreneeën, Vogezen en
hoogland van Normandië. Afgezien van een aantal
kustrivieren behoort het Franse grondgebied tot zeven
grote stroombekkens: die van de Loire, Seine, Garonne,
Rhône, Maas, Rijn en Schelde. Men kan drie zones
onderscheiden: 1. de Atlantische zone, die het
gehele lage gebied tussen Vlaanderen en Aquitanië
omvat; de rivieren worden er vooral gevoed door de
neerslag en hebben een vrij regelmatig regime; 2. de bergzone,
gekenmerkt door een onregelmatig regime met vrij
beperkte verdamping en met de hoogste waterstanden in de
lente. In Alpen en Pyreneeën zet de hoogwaterstand zich
door tot in de zomer, ten gevolge van het smelten der
gletsjers; 3. de Middellandse-Zeezone, gekenmerkt
door een zeer onregelmatig regime (groot debiet in de
winterperiode, zeer lage zomerstanden); bij aanhoudend
onweer leidt dit dikwijls tot catastrofale
overstromingen. Door een reeks regularisatiewerken
tracht men dit gevaar thans te beperken.
1.4 Klimaat Frankrijk vertoont sterke variaties in
klimatologische omstandigheden, die samenhangen met de
naar het oosten afnemende invloed van de Atlantische
Oceaan, de invloed van de Middellandse Zee in het
zuidoosten en de aanwezigheid van gebergten.
Ten gevolge van de langzame verwarming in het
voorjaar en de langzame afkoeling in het najaar van het
zeewater is nabij de kust de temperatuur in het najaar
vaak belangrijk hoger dan in het voorjaar. Hoewel het
grootste deel van Frankrijk een gematigd klimaat heeft
– Cfb volgens Köppen (geen droog seizoen en meer dan
vier maanden met een temperatuur tussen 10 en 22 °C)
– liggen de waargenomen temperatuurextremen toch ver
uiteen: Parijs met een maximumtemperatuur van ca. 40 °C
en een absoluut minimum van -16 °C.
De meeste neerslag valt langs de westkust, op
vele plaatsen meer dan 1000 mm per jaar, met een maximum
in het najaar. De minste neerslag valt in het
zuidoosten: Avignon en Marseille, met 600 mm per jaar,
waarbij zich zowel in het voor- als in het najaar een
maximum vertoont naast een scherp minimum in juli.
Overigens wordt de hoeveelheid neerslag voor een
belangrijk deel bepaald door de aanwezigheid van
gebergten: Biarritz aan de voet van de Pyreneeën met
bijna 1500 mm per jaar en Annecy in de Alpen met bijna
1300. Sneeuw van betekenis komt bijna uitsluitend in het
gebergte voor: in de Pyreneeën ligt op 2500 m hoogte
gedurende ruim 200 dagen per jaar een sneeuwdek.
Het zonneschijnpercentage neemt in het
algemeen naar de Middellandse-Zeekust toe, vooral
gedurende de zomermaanden.
De windrichting is overwegend westelijk met
echter daarnaast een voorkeur voor noordelijke
richtingen. Tijdens noordelijke wind komt in het Rhônedal
de mistral tot ontwikkeling. Andere lokale winden zijn
de föhnachtige autan en de koude noordelijke bise.
1.5 Plantengroei De rijke en
afwisselende flora (meer dan 4000 soorten hogere
planten) en vegetatie van Frankrijk kunnen in vier
hoofdgebieden worden verdeeld: Atlantisch,
Midden-Europees, alpine en mediterraan; vooral de eerste
twee gaan zeer geleidelijk in elkaar over. Beneden de
boomgrens (in de Pyreneeën op 2500 m, Franse Alpen 1900
m, Auvergne 1500 m, Vogezen 1100 m) was Frankrijk
oorspronkelijk vrijwel geheel met bos bedekt, thans voor
ca. een vierde; grote wouden vindt men nog in het Bekken
van Parijs (Fontainebleau, Compiègne), in Normandië,
en bij Orléans. In vlakte en heuvelland van het
Atlantische en Midden-Europese gebied bestaat het woud
uit loofbos: eikenberkenbos op armere gronden,
eikenhaagbeukenbos op voedselrijke gronden, beukenbos in
de opgaande oude domaniale wouden,
elzen-iepen-essenbossen in de rivierdalen. Waar geen bos
meer is, vallen in het Atlantische gebied vooral de
heiden op, waarin gaspeldoornsoorten en rode dopheide
overwegen. De duinen met hun karakteristieke
plantengroei zijn vooral goed ontwikkeld in het noorden,
op Cotentin, in Charente-Maritime en in Les Landes (daar
veelal bebost met zeeden). Beroemd zijn de orchideeënrijke
kalkhellinggraslanden, door geheel Frankrijk verspreid.
In de gebergten vindt men, van laag naar hoog: gordels
van beukenwoud, beuken-sparrenwoud, fijnsparrenwoud
(eventueel met lork) en de alpine zone.
De mediterrane flora en vegetatie in het
uiterste zuiden heeft een geheel eigen karakter. Het
oorspronkelijke steeneikenbos is nagenoeg verdwenen en
vervangen door maquis (altijdgroen doornstruweel),
garrigue (een heideachtige vegetatie met o.a. dwergeik,
lavendel en rozemarijn), olijfbossen, wijngaarden en
cultures van vijg en amandel, aan de Côte d'Azur van
sinaasappelen en citroenen.
1.6 Dierenwereld De dierenwereld
van Frankrijk sluit aan bij die van West-, Midden- en
Zuid-Europa. Alpine vormen treden op in de West-Alpen en
Pyreneeën; de kusten van Atlantische Oceaan en
Middellandse Zee hebben totaal verschillende fauna's,
vnl. vanwege de sterke temperatuurverschillen in zee.
Door de grote uitgestrektheid van het gebied treft men
een aantal verschillende elementen onder de dierenwereld
aan. De genetkat bereikt in Frankrijk zijn noordgrens;
de broedplaatsen van de flamingo in de Camargue (Rhônedelta)
zijn de noordelijkste in Europa en het
Middellandse-Zeegebied. Een ongebreidelde jacht op alle
mogelijke soorten van wild en vogels heeft bijgedragen
tot de verarming van de fauna; nationale parken en
reservaten zijn nog te gering in aantal om het
voortbestaan van talloze zeldzaam geworden soorten te
waarborgen.
2. BEVOLKING
2.1 Samenstelling en spreiding
Het inwonertal nam in de 19de en in begin 20ste eeuw zeer
langzaam toe. Tussen de beide wereldoorlogen kende men
zelfs jaren met een duidelijke bevolkingsvermindering.
Na 1945 nam de bevolking weer sterk toe, mede dankzij
een krachtige demografische politiek, de vooruitgang in
de gezondheidszorg en de uitbreiding van de sociale
voorzieningen. Vanaf het midden van de jaren zestig nam
de bevolkingsgroei sterk af. Sinds 1977 is er sprake van
een lichte toename. In 1992 was het geboortecijfer 13‰
en het sterftecijfer 9‰. De levensverwachting bij
geboorte was voor vrouwen 81 jaar en voor mannen ruim 73
jaar. Naast de natuurlijke bevolkingstoename is een
aanzienlijk deel van de toename toe te schrijven aan de
immigratie van buitenlanders (m.n. Algerijnen,
Portugezen, Italianen, Spanjaarden, vluchtelingen uit
Frans-Afrika en Marokkanen). Hun aantal maakte in 1990
6,3% van de totale bevolking uit; de meesten (85%) wonen
in Parijs en omstreken, in de regio Rhône-Alpes en op
Corsica.
Regionaal was de demografische groei
zeer uiteenlopend. Noord-Frankrijk vertoont traditioneel
een veel sterkere natuurlijke groei dan Zuid-Frankrijk.
De gemiddelde bevolkingsdichtheid bedroeg in 1994 106
inw. per km2, maar de bevolking is zeer ongelijk
verspreid. Naast dunbevolkte, meestal centraal gelegen
gebieden, zoals het Massif Central, de plateaus van het
Parijse Bekken, Les Landes en het hooggebergte, zijn er
dichtbevolkte gebieden, die vrij periferisch gelegen
zijn, zoals de departementen Ville de Paris, Nord, Rhône,
Val de Marne en Hauts-de-Seine. Het betreft hetzij zones
met intensieve landbouw, hetzij, en vooral, industriële
en stedelijke zones. Driekwart van de bevolking woont in
de stad, m.n. in Parijs (ca. 20%). Het overwicht van
Parijs heeft een grote weerslag op de economie. Door de
vorming van ‘métropoles d'équilibre’ (Nantes,
Lille, Nancy, Strasbourg, Marseille, Bordeaux, Toulouse
en Lyon) heeft men getracht het evenwicht in Frankrijk
te herstellen en de groei van Parijs af te remmen.
2.2 Taal
Officiële taal is het Frans, daarnaast wordt door minderheden
Bretons gesproken, Occitaans (het zuiden), Baskisch (in
de westelijke Pyreneeën), Duits (Elzas-Lotharingen),
Nederlands (Frans Vlaanderen), Catalaans (Roussillon),
Italiaans (rond Nice), Corsicaans (op Corsica). Zie
voorts Franse taal.
2.3 Religie De bevolking is voor ca. 80% rooms-katholiek,
voor 4,5% islamitisch (overwegend soennitisch) en voorts
zijn er kleine minderheden van protestanten, joden en
Armeens-christelijken. Sinds de herroeping van het Edict
van Nantes in 1685 door Lodewijk XIV was het katholicisme
staatsgodsdienst. Sinds de scheiding van kerk en staat
in 1905 heeft de staat geen enkele bemoeienis meer met
de hiërarchie. De bisschoppen worden door Rome benoemd
(alleen voor die van Elzas en Lotharingen geldt, wegens
hun aansluiting bij Duitsland van 1870 tot 1918, een oud
concordaat). De Rooms-Katholieke Kerk heeft in Frankrijk
achttien kerkprovincies en in totaal 95 bisdommen.
Protestantisme. Na de Bartholomeüsnacht (1572) was de
kracht van het protestantisme in Frankrijk gebroken (zie
hugenoten). Door de wet van 1802 werden de protestantse
kerken erkend. De voornaamste zijn: de Église Réformée de
France, de Église de la Confession d'Augsburg d'Alsace
et de Lorraine, de Église évangélique luthérienne en
de Église réformée d'Alsace et de Lorraine. Sinds 1905 bestaat een federatie van
protestantse kerken (gereformeerden, lutheranen,
baptisten, methodisten, vrije kerken): de Fédération
protestante de France. Protestantse theologische
faculteiten voor de opleiding van predikanten zijn
gevestigd te Aix-en-Provence, Montpellier, Parijs en
Straatsburg; de laatste twee zijn interconfessionele
faculteiten. De invloed van de protestanten in Frankrijk
is relatief groot.
3. BESTUUR EN SAMENLEVING
3.1 Staatsinrichting
Volgens de grondwet van 1958 (aangevuld per referendum in
1962) is Frankrijk een parlementaire republiek waarvan
de door het volk bij algemeen stemrecht rechtstreeks
voor zeven jaar gekozen president uitgebreide volmachten
bezit. Hij vaardigt de door het parlement of door het
volk (in geval van referendum) aangenomen wetten uit,
tekent de besluiten van de ministerraad, die hij
voorzit, benoemt de eerste-minister en kan in geval van
nood het geheel van de wetgevende en uitvoerende macht
tot zich trekken en de ontbinding der Nationale
Vergadering uitspreken. De regering, aangevoerd door de
eerste-minister, wordt op diens voorstel benoemd door de
president. Zij bepaalt en geeft uitvoering aan de
algemene politiek van de natie. Zij is verantwoording
verschuldigd aan de Nationale Vergadering.
De wetgevende macht wordt uitgeoefend door het
parlement, dat uit twee kamers bestaat: de rechtstreeks
voor vijf jaar gekozen Nationale Vergadering (Assemblée
nationale), die 577 leden telt (van wie 22 uit de
overzeese departementen en gebiedsdelen) en de niet
rechtstreeks (in hoofdzaak door de leden van de conseils
généraux – de departementale raden – en de
gemeenteraden) gekozen en met minder bevoegdheden
beklede senaat, die 321 leden telt (12
vertegenwoordigers van de Fransen in het buitenland en
13 voor de overzeese departementen en gebiedsdelen); de
leden hebben negen jaar zitting; om de drie jaar wordt
de senaat voor een derde vernieuwd. Stemrecht hebben
alle Franse staatsburgers vanaf 18 jaar. Om gekozen te
worden voor de Nationale Vergadering moet men minimaal
23 jaar zijn; voor de senaat is dat 35 jaar. Zie ook §3.4:
politieke organisatie.
3.2 Administratieve indeling De Franse staat
telt 22 regio's, die verdeeld zijn in 96 departementen.
Het land kent verder: vier overzeese departementen, de
‘Départements d'Outre-Mer’ (DOM): Frans Guyana,
Guadeloupe, Martinique en Réunion; drie overzeese
gebiedsdelen, de ‘Territoires d'Outre-Mer’ (TOM):
Frans Polynesië, de Wallis en Futuna-eilanden en Nieuw
Caledonië; de twee overzeese ‘collectivités
territoriales’ Mayotte en St-Pierre-en-Miquelon en
enkele gebieden op de zuidpool, ‘Les Terres Australes
et Antarctiques Françaises (TAAF). De prefet, die aan het hoofd van iedere regio en ieder departement staat,
is de vertegenwoordiger van de regering en van iedere
afzonderlijke minister. De departementen zijn verdeeld
in arrondissementen (325), met aan het hoofd een sous-prefet;
de arrondissementen zijn verdeeld in kantons (3714) en
deze op hun beurt in 36 433 gemeenten (90% van de
gemeenten telt minder dan 2000 inw.). De
arrondissementen en kantons hebben slechts
administratieve betekenis.
Frankrijk heeft vanouds een sterk
gecentraliseerde bestuursvorm. Om het bestuur beter te
doen functioneren zijn tussen 1982 en 1988 verschillende
decentralisatiewetten ingevoerd teneinde een
herverdeling van taken en bevoegdheden te
bewerkstelligen. De regio's hebben een kwaliteit van
‘collectivité territoriale’ gekregen:
publiekrechtelijke rechtspersonen met een uitgebreid
pakket eigen rechten en verplichtingen. Verder voorziet
de wet in de overdracht van executieve bevoegdheden van
de prefet de la région en de prefet aan
de voorzitters van resp. plaatselijk gekozen regionale
raden (conseils régionaux) en departementale
raden (conseils généraux). De regio Corsica
heeft sinds 1981 een aparte status.
3.3 Lidmaatschap van internationale
organisaties Frankrijk is lid van de Verenigde Naties (en permanent lid van de
Veiligheidsraad) en een aantal van haar suborganisaties
(het hoofdkwartier van de onderwijsorganisatie van de
Verenigde Naties, UNESCO, is in Parijs gevestigd), de
EU, de Raad van Europa, de Organisatie voor Economische
Samenwerking en Ontwikkeling (OESO; hoofdkwartier in
Parijs), de Wereld Handels Organisatie (WTO)en de NAVO.
In 1966 heeft Frankrijk de beschikbaarstelling van zijn
strijdkrachten aan het geallieerd NAVO-commando beëindigd;
wel bleef Frankrijk politiek lid van de NAVO. Na de
Koude Oorlog kwamen gesprekken tussen Frankrijk en de
NAVO op gang en werd afgesproken dat het land betrokken
zou worden in besprekingen over de nieuwe doelstellingen
van de NAVO. Sindsdien participeert Frankrijk weer in
een aantal NAVO-overleginstanties.
3.4 Politieke organisatie; partijwezen;
vakbeweging Kamer- en presidentsverkiezingen voltrekken zich in twee ronden. Wanneer de
kandidaat in de eerste ronde meer dan 50% van de stemmen
in zijn kiesdistrict op zich weet te verenigen, is hij
direct gekozen. Slaagt hij daarin niet, dan volgt een
tweede ronde waarin een enkelvoudige meerderheid
voldoende is. Bij de presidentsverkiezingen kunnen
alleen twee kandidaten die de meeste stemmen hebben
behaald tijdens de eerste ronde, meedoen aan de tweede
ronde. Voorwaarde bij de parlementsverkiezingen is dat
de kandidaat in de eerste ronde ten minste 12,5% van de
stemmen heeft behaald.
De invoering van rechtstreekse
presidentsverkiezingen heeft een hergroepering van de
grote politieke formaties en een polarisatie van de
politieke strijd tot gevolg gehad.
Van de talrijke partijen en bewegingen
zijn de belangrijkste ter linkerzijde de Parti
Socialiste (PS), de Parti Communiste Français (PCF) en
de Parti Radical de Gauche (PRG), voortgekomen uit de
Mouvement des Radicaux (MRG).
De PS, in 1969 ontstaan uit een samengaan van
verschillende socialistische partijen, staat een
gematigd socialisme voor.
De PCF, opgericht in 1920, kende haar
bloeitijd tussen 1968, toen zij zich van ‘Moskou’
afkeerde ten gunste van het zgn. ‘eurocommunisme’,
en 1984 toen er door een breuk met de PS een einde kwam
aan haar regeringsverantwoordelijkheid. Na de val van de
communistische regimes in Oost-Europa in 1989 kwam de
partij onder grote druk te staan.
De PRG hecht aan een humanistisch socialisme.
De belangrijkste partijen ter
rechterzijde zijn de Rassemblement pour la République (RPR),
de Parti Républicain (PR) en het Centre des Démocrates
Sociaux (CDS). De RPR is de eind 1976 door Jacques René
Chirac opgerichte opvolgster van de gaullistische UDR en
steunt vooral op de oudere conservatieve kiezers. De PR
(tot 1977 Républicains Indépendants) werd opgericht
door Valéry Giscard d'Estaing in 1966 en volgt een
gematigder, meer pragmatische koers dan de RPR. De CDS,
ontstaan in 1976 uit een fusie van het Centre Démocrate
en het Centre Démocratie et Progrès, draagt als
bijnaam de ‘Unie van het midden’.
De centrumpartijen vormden begin 1978 de Union
pour la Démocratie Française (UDF), samengesteld uit
de PR, het CDS en een deel van de Parti Radicale
Socialiste (PRS). Het Front National (FN) van Jean-Marie
Le Pen, opgericht in 1972, is een extreem-rechtse
politieke partij, die vooral sedert het midden van de
jaren tachtig een politieke machtsfactor is geworden.
Bij de parlementsverkiezingen van 1997 leed zij echter
een gevoelige nederlaag en wist zij slechts één zetel
te bemachtigen. In 1998 kwam het tot een splitsing: de
door Jean-Marie Le Pen geschorste Bruno Mégret richtte
de Mouvement National op. Les Verts (De Groenen), in
1984 ontstaan uit het samengaan van de Confédération
Écologiste en de Parti Écologiste, staan een politiek
voor die ecologie als uitgangspunt heeft.
Slechts 10% van het werkende deel van de
bevolking is aangesloten bij een vakbond. De grootste vakbond is de Confédération Générale
du Travail (CGT) met 855 000 leden. De Force Ouvrière splitste zich in 1947 af van de CGT. Haar leden (ca. 1
miljoen) zijn vnl. socialisten en links-radicalen. De
Force Ouvrière is de meest gematigde van de grote
vakbonden. De derde grote vakbond is de Confédération Française Démocratique du
Travail (CFDT), de sinds 1964 geseculariseerde
voortzetting van de Confédération Française des
Travailleurs Chrétiens (CFTC; opgericht in 1919), met
558 000 leden. Als kleinere
verenigingen moeten nog de Fédération de l’Éducation
nationale met 395 000 leden worden genoemd
(Vereniging van leraren) en de christelijke kern van de
zelfstandig voortbestaande CFTC met 260 000 leden.
Ook boeren en leidinggevende functionarissen beschikken
over eigen organisaties.
4. ECONOMIE
4.1 Inleiding De industriële ontwikkeling kwam in
Frankrijk pas laat op gang en tot de Tweede Wereldoorlog
waren alle bedrijfstakken ondergeschikt aan de landbouw.
Een belangrijke wijziging in de economische politiek na
1945 vormde de instelling van een algemeen planbureau,
waardoor de invloed van de overheid sterk toenam. De
door het planbureau opgestelde plannen moeten door het
parlement worden goedgekeurd en dienen m.n. als kader
voor het particuliere en publieke investeringsbeleid. Zo
werd in 1945 de nationalisatie van de energiesector, de
vier grote bankinstellingen, de grote
verzekeringsorganisaties en de automobielfabriek Renault
doorgevoerd. De Franse staat legde ook de hand op het
openbaar vervoer. De relatief geringe schade tijdens de
Tweede Wereldoorlog werd, mede dankzij de Marshallhulp,
snel overwonnen. De Franse staat voerde een krachtige
expansiepolitiek, al ging dit gepaard met een stijgende
inflatie en devaluatie van de franc. De integratie in
Europa (EGKS 1951, EEG 1957), de planpolitiek waarin
overheid, particulier bedrijfsleven en vakbeweging nauw
samenwerken en het fiscale beleid dat investeringen
aanmoedigt, leidden tezamen tot een sterke groei van de
industrie (m.n. de mijnbouw, metaalverwerking,
elektronica en petrochemische industrie); de bedrijven,
voor zover niet genationaliseerd, bereikten door
concentraties Europees formaat. Sinds 1945 is de
industriële productie snel gestegen. Tussen 1970 en
1980 was er, ondanks de teruggang in 1975 als gevolg van
de internationale recessie, sprake van een
productiestijging van 33%. In de jaren 1980–1982
stagneerde de groei. Evenals de meeste industrielanden
had Frankrijk in de jaren tachtig te kampen met hoge
inflatiepercentages, massale werkloosheid en een dalende
vraag. De nationalisaties van 1982 (o.a. Matra,
Saint-Gobain en Bull) moesten Frankrijk de middelen
verschaffen om een coherent industriebeleid te voeren en
om machtsconcentraties te beperken. Een vijfjarenplan,
opgesteld in 1986, beoogde 65 staatsbedrijven (waaronder
in 1982 genationaliseerde bedrijven) te privatiseren.
Met de verkoop van staatsbedrijven hoopte men de
staatsschuld te verminderen. Zowel stagnatie in de
industrie als herstructurering van genationaliseerde
bedrijven leidde tot een toename van de werkloosheid (in
1997: ruim 12%). Aan het eind van de jaren tachtig trad
echter een onverwacht gunstige conjunctuurontwikkeling
op, veroorzaakt door een goede financieringspolitiek,
dalende olieprijzen en belastingverlichting. De
economische groei bedroeg van 1990 tot 1994 0,8%. In
1998 was deze gestegen tot 3%, terwijl de inflatie tot
onder de 1% daalde.
De verdeling van de beroepsbevolking over de
verschillende economische sectoren (1994) is: landbouw:
5%; industrie: 27% en dienstensector: 68%. Vrouwen maken
bijna de helft van de beroepsbevolking uit, buitenlandse
werknemers ruim 6%.
4.2 Landbouw, veehouderij, bosbouw en visserij
Frankrijk bezit met 320 000 km2 cultuurgrond (ca. 60% van de totale
landoppervlakte) het grootste landbouwareaal in
de EU (eenderde van alle landbouwgrond in de EU).
Hiervan is 58% akkerland, ruim 37% blijvend grasland en
bijna 5% is bedekt met blijvende gewassen (fruit,
olijven, wijngaarden). Teeltverbetering, uitbreiding van
de bedrijfsgrootte (o.a. door herverkaveling en coöperaties)
en mechanisatie vormen een belangrijke bijdrage tot de
productiestijging per ha. Het streven is de gemiddelde
bedrijfsgrootte (ca. 30 ha in 1988) verder op te voeren
door uitkoop van kleine bedrijfjes (in 1990 waren er
924 000 boerenbedrijven, 600 000 minder dan
in 1970). Ruim de helft van alle agrarische bedrijven
wordt in eigendom bewerkt.
De vruchtbaarste landbouwzones komen voor op
de leemplateaus van het Bekken van Parijs en in het
noorden (tarwe, suikerbieten, koolzaad, vlas). Ook de
Elzas, de grote riviervalleien en de geïrrigeerde zones
van het zuiden zijn rijke landbouwgebieden. Hop wordt
vooral in de Elzas en in Frans-Vlaanderen geteeld.
Cultuur van haver en gerst is meer verspreid; behalve in
de hierboven genoemde gebieden is zij ook elders in
Noord-Frankrijk belangrijk (o.a. plaatselijk in Bretagne).
Maïs wordt verbouwd in Languedoc en Aquitanië, rijst
(sterk teruggelopen in de jaren zeventig) in de Camargue.
Tuinbouw en wijngaarden zijn vooral gelokaliseerd in de
valleien van Loire, Garonne, Rhône en langs de
Middellandse-Zeekust. Tuinbouw komt bovendien ook voor
rond Parijs, in de kuststreken van Bretagne, in de Elzas
en Frans-Vlaanderen. De Franse wijnverbouw omvat
hoogwaardige wijnen (zie Franse wijnen). Frankrijk neemt
een belangrijke plaats in op de wereldranglijst van
producenten van tarwe (zesde), gerst (vijfde), suiker
(zesde) en wijn (eerste).
Veehouderij. Frankrijk is de grootste vlees- en zuivelproducent in Europa. Veehouderij
is verspreid over het hele land. Runderen vindt men
vooral in de Atlantische zone: Normandië, Bretagne,
Picardië en Frans-Vlaanderen. Ook de randgebieden van
het Massif Central zijn belangrijke rundveestreken. De
schapenhouderij, die vooral in het Massif Central, rond
de Rhônemonding en in de Pyreneeën beoefend wordt, is
belangrijk èn voor het vlees èn voor de kaas.
Algemeen is er ook in de veehouderij een
sterke tendens tot mechanisatie, uitbreiding der
landbouwcoöperaties en herverkaveling, terwijl
grootscheepse irrigatiewerken (o.a. de Languedoc, Basse
Durance, Rhônevallei) de landbouw van het mediterrane
gebied hervormen.
Bosbouw. De oppervlakte bos neemt geleidelijk toe door bebossing van woeste
gronden, verlaten akkers en berggebieden en omvatte in
1995 27% van het totale landoppervlak. Tevens wordt het
bestaande bosbestand verbeterd. Ongeveer tweederde deel
van het bos bestaat uit loofbomen. De aanplant van
naaldbomen wordt snel uitgebreid wegens het hoger
rendement. Een derde van de beboste grond staat onder
toezicht van de staat; de rest is in handen van
particulieren en is als gevolg van verspreide ligging
niet geschikt voor exploitatie. Er werken 550 000
mensen in de bosbouw en de houtindustrie.
Visserij. Ondanks de uitgestrekte kust vormt de visserij geen belangrijke sector van
de economie. Europese richtlijnen (vangstquota)
verhinderen een uitbreiding. Visserij geeft slechts aan
0,1% van de totale beroepsbevolking werk. Zij omvat
naast kustvisvangst ook, maar in steeds mindere mate,
diepzeevangsten. De voornaamste havens zijn voor de
Noordzee en Het Kanaal: Boulogne, Fécamp, Dieppe; voor
Bretagne: Concarneau, Lorient, Douarnenez-Camaret; voor
de Golf van Biskaje: La Rochelle, Bayonne; voor de
Middellandse Zee: Sète. De oesterkwekerijen kennen een
sterke uitbreiding, o.a. Arcachon, Marennes, Morbihan,
Bouzigues. Mosselen in o.a. de Charente-Maritime (Baie de l'Aiguillon).
4.3 Mijnbouw en energievoorziening De kolenmijnen
zijn sinds 1946 genationaliseerd en daarna sterk
gemoderniseerd. Meer dan 60% van de kolen wordt geleverd
door het Bekken van Lotharingen, ca. een kwart door de
kleine bekkens in Zuid- en Midden-Frankrijk (vooral rond
het Massif Central) en de rest door het Bekken van het
Noorden en Pas de Calais (voorheen het belangrijkste
bekken). Als gevolg van het verminderde rendement en de
ontwikkelingen op het gebied van kernenergie wordt de
productie geleidelijk afgebouwd (in 1976 nog 22 miljoen
ton, in 1987 16 miljoen ton; voor 1995 geschat op 9
miljoen ton). Daarnaast wordt jaarlijks ca. 15 miljoen
ton ingevoerd.
De (kleine) aardolieproductie is grotendeels
afkomstig van de velden van Parentis-en-Born in Les
Landes, voorts uit het Bekken van Parijs. De productie
van aardgas (Lacq) stagneert na een jarenlange sterke
stijging. Een daling wordt voorzien, indien op korte
termijn geen nieuwe gasbellen worden ontdekt. Het gas
wordt vnl. verdeeld in Zuidwest-Frankrijk.
Frankrijk is lange tijd de belangrijkste
ijzerproducent van Europa geweest, vooral dankzij de
ijzerertsformaties in Lotharingen. De productie is
echter sterk gedaald (1970: ca. 56 miljoen ton, 1995:
1,5 miljoen ton) als gevolg van een tekort aan
afzetmarkten en concurrentie van veel rijkere
ijzerertsformaties in overzeese gebieden en in Zweden.
Naast een geringe productie van zinkerts en looderts
(Pyreneeën, Alpen), uraanerts (Massif Central en
Bretagne) en andere minder belangrijke grondstoffen
heeft Frankrijk een belangrijke productie van
aluminiumerts in de Provence (Frankrijk is na Duitsland
de belangrijkste producent van aluminium in de EEG),
kaliumzouten in de Elzas en klipzout (Lotharingen,
Franche-Comté).
Energievoorziening. De elektriciteitsproductie is sterk
gestegen. Nog maar 10% van de elektrische energie is
afkomstig van thermische centrales, ca. 20% van
waterkrachtcentrales en ruim 70% van kerncentrales. Voor
de levering van aardolie is Frankrijk sterk afhankelijk
van het Midden-Oosten, voor aardgas van Algerije (36%)
en Nederland (14%), voor kolen van Duitsland, Polen en
Zuid-Afrika. Om in de toekomst zoveel mogelijk
zelfstandig in zijn energiebehoefte te kunnen voorzien
heeft Frankrijk de ontwikkeling van kernenergie een hoge
prioriteit gegeven en is door een versneld uitgevoerd
energieprogramma het gebruik van kernenergie snel
toegenomen.
4.4 Industrie Na een fase van exceptionele groei in de
jaren zestig (verdubbeling van de productie) kreeg de
industrie, evenals andere sectoren van de economie, te
lijden van de crisis. Niettemin steeg de industriële
productie mede door de sterk gepropageerde
schaalvergroting. De belangrijkste industriegebieden
liggen in het noordoosten, ten oosten van de lijn Le
Havre–Marseille. Het Parijse stadsgewest is een groot
centrum van de verwerkende industrie (auto's, elektrisch
en elektronisch materiaal, farmaceutische en
fotografische producten). Naast de researchlaboratoria,
de ‘haute couture’, de ‘articles de Paris’
(sieraden, juwelen, parfums) en de uitgeverijen zijn ook
de voedingsmiddelen- en de verwerkende metaal- en de
meubelindustrie er bijzonder goed vertegenwoordigd. De
industriegebieden van het noorden en noordoosten (Elzas-Lotharingen)
zijn de belangrijkste centra van zware metallurgie,
tevens van chemische industrie. De textielindustrie
heeft er een oude traditie.
Als derde groot Frans industriegebied fungeert
rond Lyon het gebied van Rhône en Alpen. Het oude
textielgebied rond Lyon en de oude steenkool- en
metallurgiekernen van St-Étienne en Le Creusot kennen
een nieuwe ontwikkeling dankzij uitbreiding van de
metaalconstructie en (organische) chemische industrie en
vooral de goedkope waterkrachtenergie, die in de Alpen
de stoot gaf tot moderne elektrochemische en
elektrometallurgische bedrijven.
Secundaire industriezones zijn die aan de
Middellandse-Zeekust, waar zoutpannen, bauxietmijnen,
het aardoliecomplex van Berre en de oude
vetstofverwerkende industrie de basis vormen voor een
moderne chemische en aluminiumindustrie; er is voorts
metaalconstructie, scheepsbouw en meststofproductie.
Zuidwest-Aquitanië is een groeiend industriegebied
dankzij de elektrochemische en metallurgische bedrijven
in de Pyreneeën, de chemische bedrijven van Lacq en de
vliegtuigbouw van Toulouse. In Bretagne zijn naast de
oude voedingsnijverheid en scheepsbouw ook de
auto-industrie en de elektronische constructie sterk
uitgebreid. De Franse regering tracht de decentralisatie
te bevorderen.
In 1984 is een hervormingsplan voor de Franse
industrie afgekondigd. Dit plan voorziet o.a. in
subsidiemaatregelen voor bedrijven die zich in
stimuleringsgebieden vestigen en arbeidsplaatsen creëren.
Frankrijk telt talrijke textielgebieden. Het
noorden is het belangrijkste centrum voor de wol- en
vlasweefsels, maar is ook een belangrijke
katoenproducent. De Vogezen (Mulhouse) en de streek van
de Beneden-Seine (Rouen) zijn vooral gespecialiseerd in
katoen. Lyon is het grote productiegebied van de
synthetische en kunstmatige vezelverwerking. In de
Languedoc is Mazamet een gespecialiseerde producent van
wollen weefsels. De textielindustrie is overigens in de
jaren zeventig verder achteruitgegaan. Confectie is
naast Parijs en het noorden verspreid over alle grote
centra en vormt een belangrijk uitvoerproduct. De
uiterst gediversifieerde metaalconstructie omvat vooral
productie van auto's (Parijs c.a., Bretagne, Lyon,
Noord-Jura en sinds de jaren tachtig, in het kader van
de industriële herstructurering, in het noorden en in
Lotharingen om zodoende nieuwe arbeidsplaatsen te creëren
na het verval van de ertswinning), scheepsbouw (St-Nazaire,
Bordeaux, Le Havre, Duinkerke, omgeving Marseille),
vliegtuigbouw (Parijs, Toulouse, Nice), elektrisch
materiaal, o.m. Compagnie Générale d’Électricité
(te Parijs [60%], Lyon, Grenoble). Le Creusot is het
centrum van de belangrijke wapenindustrie.
Voedingsmiddelenindustrie is sterk verspreid; naast de
conservenfabrieken van Bretagne en de biscuiterieën van
Nantes is Parijs het belangrijkste centrum.
4.5 Handel Frankrijk is na Duitsland de grootste
exporteur van West-Europa (4de op de wereldranglijst).
Handelsbetrekkingen worden hoofdzakelijk met de andere
EG-landen onderhouden, alsmede met de geassocieerde
staten. De belangrijkste handelspartners zijn Duitsland,
België en Luxemburg, Italië, Nederland en de Verenigde
Staten.
De export bestaat vooral uit agrarische
producten (wijn, graan, boter en kaas), halffabrikaten,
machines, apparaten en auto's. De auto-industrie
ondervindt echter sterke concurrentie van de Japanse
auto-industrie. Belangrijke importgoederen zijn
grondstoffen en energiebronnen, halffabrikaten,
industriegoederen en agrarische producten (vooral
tropische producten, katoen en wol). Frankrijk kampte
tot 1992 met een tekort op de handelsbalans, vnl. door
de slechte concurrentiepositie die de industrie van het
land inneemt ten opzichte van die in andere, westerse
landen. Het overschot op de handelsbalans bedraagt de
laatste jaren zo’n $ 5 miljard.
4.6 Bankwezen De centrale bank is de Banque de France,
opgericht in 1800. Meer dan in enig ander land heeft
deze zich ontwikkeld tot ‘bank der banken’, in die
zin dat door het overige bankwezen in belangrijke mate
beroep op de herdiscontofaciliteiten wordt gedaan.
Frankrijk is de bakermat van de ‘Crédit mobilier’
(opgericht in 1852). Door het verstrekken van
lange-termijnleningen en ook kapitaaldeelneming werd de
financiering van de industrie vergemakkelijkt. Ofschoon
de Crédit mobilier ten slotte van het toneel verdwenen
is, heeft het principe echter ook bij andere nadien
opgerichte grote banken een belangrijke rol gespeeld.
In 1945 werden, naast de Banque de
France, ook de vier belangrijkste depositobanken
genationaliseerd (Crédit Lyonais, Société Général,
Comptoir National d'Escompte de Paris en Banque
Nationale pour le Commerce et l'Industrie). De beide laatste banken fuseerden in 1966 onder de naam Banque Nationale de
Paris tot de grootste depositobank van het land. De
belangrijkste kredietinstelling is de onder het
ministerie van Landbouw vallende Crédit agricole, die
vnl. de financiering van landbouw en regionale economie
regelt. In 1982 werden nog eens 32 banken
genationaliseerd, wat 95% van alle deposito's onder
staatstoezicht bracht. Tussen 1986 en 1988 werd een
aantal grote banken (o.a. de Société Générale en de
Crédit agricole) geprivatiseerd. Voor het algemene
toezicht is de Commission de Contrôle des Banques,
onder leiding van de minister van Financiën en de
gouverneurs van de Banque de France, verantwoordelijk.
Het kredietbeleid – belangrijk bij staatsinvesteringen
– wordt door de Conseil National du Crédit bepaald.
4.7 Ontwikkelingssamenwerking De Franse
ontwikkelingssamenwerking is grotendeels gericht op de
voormalige koloniën en op de overzeese gebiedsdelen en
departementen. De particuliere hulpverlening is
traditioneel gericht op de Afrikaanse landen van de
franc-zone. De hulp vindt plaats in de vorm van giften,
leningen en het verstrekken van technici en
onderwijskundigen.
4.8 Verkeer en toerisme
Frankrijk bezit een goed uitgebouwd verkeersnet, dat wat
spoorwegen en wegen betreft radiaal naar Parijs gericht
is. Het wegennet omvat 829 000 km, waarvan
ca. 7400 km autosnelweg en 29 000 km hoofd- en
nationale wegen. Het spoorwegnet omvat ca.
35 000 km spoor en is vooral in Noord-Frankrijk
vrij dicht. Meer dan 80% van de lijnen is geëlektrificeerd.
Sinds 1981 rijdt de supersnelle TGV-trein (Train à
Grande Vitesse) die steden als Lyon, Bordeaux en Nice,
maar ook Brussel en Amsterdam op korte afstand van
Parijs brengt. Er zijn uitbreidingen voorzien via
Straatsburg naar Duitsland en naar Spanje en Italië. De
binnenvaart beschikt over een net van 8600 km
waterwegen. Het grootste deel van dit net is echter
slechts geschikt voor schepen met kleine tonnenmaat en
is praktisch buiten gebruik. Een druk verkeer en vervoer
kennen echter de Seine, de gekanaliseerde Rijn en de
Moezel, de meeste kanalen van Noordoost-Frankrijk en het
in 1988 gerealiseerde Rhône–Rijnkanaal, dat Rotterdam
met de Middellandse Zee verbindt. Verschillende nieuwe
waterwegen zijn in aanbouw, o.a. Seine–Noord-Oost, die
Parijs met Lille en de Moezel moet verbinden, en
Middellandse Zee–Rijn, die een hoge prioriteit heeft.
De belangrijkste binnenhavens zijn Parijs, Rouen en
Straatsburg. De handelsvloot is voor een
belangrijk deel staatsbezit. Van de vele zeehavens zijn
Le Havre, Marseille, Duinkerken en Nantes-St.-Nazaire de
belangrijkste. Luchtverkeer. Air France, voor 70%
staatseigendom, is de grootste luchtvaartmaatschappij.
UTA richt de meeste van zijn vluchten op Afrika en Air
Inter verzorgt het binnenlands vliegverkeer. De
belangrijkste luchthavens zijn: Charles de Gaulle, Orly
en Le Bourget (gesloten voor internationaal verkeer) bij
Parijs en de luchthavens van Nice, Lyon en Marseille.
Toerisme vormt een belangrijke factor in de economie. Ieder jaar bezoeken ca. 61
miljoen buitenlanders Frankrijk. Na Duitsers maken
Belgen, Nederlanders en Engelsen het grootste deel van
het totale aantal toeristen uit.
5. GESCHIEDENIS
5.1 Prehistorie
De oudste sporen van de mens vormen enkele groepen pebble
tools uit het begin van het Pleistoceen, te dateren
tussen 1 miljoen en 400 000 jaar geleden. De
oudste menselijke schedel is die van Tautavel/Arago (Aude),
ongeveer 400 000 jaar oud. Frankrijk is bijzonder
rijk aan overblijfselen uit het paleolithicum en is de
bakermat van de studie van die periode. De klassieke
opeenvolging van culturen is als volgt: na de pebble
tools komen de vuistbijlculturen (Abbevillien, Acheuléen
en Moustérien) met hun diverse faciës. De vondsten
stammen uit rivierterrassen en de onderste lagen van
grotvullingen. Van de laat-paleolithische
klingenculturen (resp. Aurignacien/Perigordien, Solutréen
en Magdalénien) zijn naast de afvallagen in grotten en
abris ook kampplaatsen in de openlucht teruggevonden. De
rijkdom aan grotschilderingen en graveringen en de vele,
vaak kunstig gesneden, benen werktuigen (vooral in
Dordogne) geven het Franse laat-paleolithicum een unieke
plaats in de geschiedenis van de mens. Deze artistieke
bloeiperiode ging tijdens het Azilien (8500 v.C.)
verloren.
Na de gelijktijdige mesolithische
culturen Sauveterrien (Zuid-Frankrijk) en Tardenoisien (Noord-Frankrijk),
gekenmerkt door het algemeen voorkomen van microlieten,
volgt de introductie van akkerbouw en veeteelt langs
twee wegen. Ten eerste omstreeks 5500 v.C. via processen
van geleidelijke cultuuroverdracht langs de
Middellandse-Zeekust (o.a. Cardiumcultuur) en voorts
omstreeks 4800 v.C. vermoedelijk als kolonisatie vanuit
het Rijnland, via het Moezeldal naar het Bekken van
Parijs (bandkeramiek). Het neolithicum kende een groot
aantal kleine, regionale groepen, met alleen het Chasséen
als grote, vrijwel het gehele land omvattende eenheid,
tussen 4200 en 3200 v.C. Megalieten werden vooral langs
de Atlantische kust gebouwd, m.n. in Bretagne, waar de
oudste ca. 4800 v.C. zijn gedateerd. Naast de dolmen en
allées couvertes zijn er tal van menhirs bekend en
enkele enorme, veelvoudige rijen van dergelijke stenen (alignements)
in de omgeving van Carnac.
In de bronstijd ontstond in Bretagne een
centrum van bronsindustrie en -handel. De
urnenveldencultuur breidde zich in de late bronstijd
geleidelijk vanuit het Rijnland over geheel Frankrijk
uit. De ijzertijd omvat de Hallstatt-cultuur (750–450
v.C.) en de La Tènecultuur (450–50 v.C.). Van groot
belang in deze periode was de stichting van de Griekse
kolonie Massilia (Marseille), welke het Rhônedal in
(handels)contact bracht met de klassieke wereld. In de
hoogteversterking van Mont-Lassois en vooral het rijke
vrouwengraf van Vix (bij Châtillon-sur-Seine)
demonstreren Attisch import-aardewerk en bronzen
tafelgerei deze betrekkingen. De ontwikkeling van de La
Tènekunst en de steensculptuur in Zuid-Frankrijk is
mede op deze contacten terug te voeren. In de La Tèneperiode
kwam in Noord-Frankrijk de Marne-cultuur tot bloei. Een
groot aantal zgn. vorstengraven in het Bekken van Parijs
en Lotharingen wordt gekenmerkt door de bijgifte van
bronzen vaatwerk (wijnkannen uit Etrurië) en zelfs
complete (pronk)wagens. Deze rijke graven wijzen op het
bestaan van een sociale elite in een maatschappij met
feodale trekken. Met de Gallische oorlogen van Caesar
(58–51 v.C.) en zijn inlijving van Gallia bij het
Romeinse Rijk eindigt de prehistorie.
5.2 Middeleeuwen
Besloeg het grondgebied van het huidige Frankrijk in de
oudheid de Romeinse provincie Gallia, later maakte het
deel uit van het Frankische Rijk. Na het Verdrag van
Verdun (843) kwam het gebied ten westen van Schelde,
Maas, Saône en Rhône onder Karel de Kale (840–877).
Binnen dit gebied maakten diverse territoriale vorsten
zich los van het weinig effectieve koninklijke gezag van
diens opvolgers. Onder Karel III de Dikke (884–888)
werd tijdelijk het Frankische eenheidsrijk hersteld,
maar in 887 werd Karel afgezet en evolueerden het West-
en het Oost-Frankische Rijk definitief tot wat Frankrijk
en Duitsland mogen worden genoemd.
Nadat Odo (888–898) het rijk
krachtig tegen de Noormannen had verdedigd, sloot Karel
III de Eenvoudige (898–929) een akkoord te
St-Clair-sur-Epte (911) met hun leider Rollo, waardoor
deze zich tot Normandië zou beperken. Robert I
(922–923), Rudolf van Bourgondië (923–936) en
Lodewijk IV (936–954) dienden al hun energie te
besteden aan de strijd tegen de grote vazallen. Op het
einde van de 9de en het begin van de 10de eeuw
ontstonden als gevolg van het feodale stelsel (zie
feodaliteit) een aantal territoriale vorstendommen,
waaronder Vlaanderen en Normandië. Pogingen van
Lotharius (954–986) om het koninklijk domein met
Lotharingen uit te breiden mislukten (978). Met Lodewijk
V (986–987) stierf het Karolingische Huis uit. Dank
zij Duitse steun werd toen Hugo Capet (987–996) tot
koning gekozen en ving de dynastie der Capetingen aan.
De grootste verdienste van Hugo Capet
en zijn opvolgers ligt in het feit dat zij de monarchie
vrijwel erfelijk wisten te maken. Ten zuiden van de
Loire was hun gezag echter geheel afwezig en ten noorden
ervan steunde het grotendeels op de trouw van enkele
bisschoppen. Onder de eerste grote Capetinger Lodewijk
VI de Dikke (1108–1137) kon de koning voor het eerst
de grote vazallen tot de orde roepen en zelfs in hun
interne aangelegenheden tussenbeide komen. Hij wist met
succes de territoriale vorsten in te zetten tegen een
invasie van de Duitse keizer (1124). Zijn zoon Lodewijk
VII (1137–1180) slaagde erin, na zijn huwelijk met
Eleonora van Aquitanië, zijn invloed tot de Pyreneeën
uit te breiden. In 1152 liet hij zich van Eleonora
scheiden; deze huwde spoedig de machtige Hendrik II
Plantagenet, die aldus Zuid-Frankrijk kon toevoegen aan
zijn machtssfeer, die reeds Normandië, Anjou, Maine en
Touraine omvatte. In 1154 werd Hendrik koning van
Engeland (Hendrik II): zo ontstond een rijk dat een
sterke bedreiging vormde voor de uitbouw van het Franse
koninkrijk. Filips II August (1180–1223) breidde het
kroondomein aanzienlijk uit, o.m. met Anjou, Artesië,
Maine, Normandië, Poitou, Touraine en Vermandois.
Filips’ overwinning in de Slag bij Bouvines (1214) op
de Engels-Duits-Vlaamse coalitie bevestigde zijn
prestige op binnen- en buitenlands gebied. Voortaan
achtte de koning het niet meer nodig zijn opvolger reeds
vóór zijn dood te laten kronen. Na de korte regering
van Lodewijk VIII (1223–1226) nam zijn kordate weduwe
Blanche van Castilië het regentschap waar voor haar
minderjarige zoon Lodewijk IX de Heilige (1226–1270)
en verwierf in 1229 een deel van Languedoc. Lodewijk IX
voltooide de bestuurlijke organisatie van Filips met het
kader van baljuws en seneschalken. Onder Filips III
(1270–1285) werd het kroondomein nog met Toulouse
(1271) uitgebreid. Met Filips IV de Schone (1285–1314)
nam het koningschap een absolutistisch karakter aan.
Ondanks optreden tegen de Engelse koning bleef Guyenne
aan Engeland. Het langdurige conflict met Rome liep uit
op de benoeming van een aan de koning onderworpen paus,
Clemens V (1305), die zich in Avignon vestigde. Drie
zonen van Filips IV hebben hun vader achtereenvolgens
opgevolgd: Lodewijk X (1314–1316), Filips V
(1316–1322) en Karel IV (1322–1328), de laatste uit
de rechtstreekse linie der Capetingen.
Aan de macht kwam Filips VI, zoon van
Karel van Valois (1328–1350). Ook de Engelse koning,
Eduard III, maakte aanspraken op de Franse kroon. Dit
leidde tot een lang Frans-Engels conflict: de
Honderdjarige Oorlog. Veel successen behaalden Filips VI
en zijn opvolger Jan II (1350–1364) in die strijd
niet. Franse nederlagen volgden elkaar op en interne
moeilijkheden putten de Franse reserves uit. Karel, zoon
van Jan II (de latere Karel V), sloot, als regent voor
zijn gevangen vader, de Vrede van Brétigny (1360),
waardoor Aquitanië, Ponthieu en Calais aan de Engelse
vorst in volle soevereiniteit werden afgestaan.
Daarentegen werd Bourgondië verworven (1361). Onder
Karel V (1364–1380) wist Frankrijk zich ten dele te
herstellen. Toen Karel VI (1380–1422) in 1392
krankzinnig werd, werd hem een regentenraad toegevoegd,
waarin o.m. de hertogen van Bourgondië, Anjou en Orléans
zitting hadden. De rivaliteit spitste zich toe tussen
Jan zonder Vrees en Lodewijk van Orléans (de Bourgondiërs
en de Armagnacs). De Engelse koning maakte van deze
tweespalt gebruik om Frankrijk binnen te vallen en te
verslaan bij Azincourt (1415). De Bourgondiërs
schaarden zich na de moord op Jan zonder Vrees (1419)
trouwens aan de zijde van de Engelsen. Een ommekeer in
de strijd bracht het succesvol optreden van Jeanne d'Arc,
die echter onvoldoende steun ontving van de apathische
koning Karel VII (1422–1461). De machtsverhoudingen
veranderden, toen in 1435 de Bourgondiër Filips de
Goede opnieuw de Franse zijde koos. Uiteindelijk slaagde
Karel VII erin Normandië (1449–1450) en Guyenne
(1451–1453) definitief aan de Engelsen te ontnemen,
hetgeen een eind maakte aan de Honderdjarige Oorlog.
Absolutistische trekken werden duidelijk onder
Lodewijk XI (1461–1483), ondanks de dreiging van
adelsopstanden (de Guerre du Bien Public, 1465),
gesteund door de Bourgondische hertog, Karel de Stoute
(1433–1477), die zelfs de Engelse vorst tegen de
Franse in het gelid wist te brengen. Uiteindelijk won de
sluwe Lodewijk XI het pleit door geheime steun en
uitkoping van Karels tegenstanders in Luik en
Zwitserland. Na Karels dood werden diens landen
Bourgondië en Picardië aan de kroon getrokken, in 1481
ook Anjou, door het uitsterven van dat vorstenhuis.
Karel VIII (1483–1498) verwierf Bretagne als gevolg
van zijn huwelijk met Anna van Bretagne (1491).
5.3 De 16de eeuw
De tegenstelling Valois-Bourgondië, uitgegroeid tot een
strijd tussen Valois en Habsburg, woedde niet slechts in
de Nederlanden, maar sinds 1494 ook in Italië om Napels
en Milaan. De Italiaanse oorlogen waren slechts de inzet
en een onderdeel van de strijd die vooral door Frans I
(1515–1547) werd geleverd tegen de Habsburgse
omsingeling. Bij de Vrede van Cateau-Cambrésis (1559)
gaf Frankrijk Italië, Vlaanderen en Artesië prijs,
maar het lijfde Metz, Toul en Verdun, alsmede Calais in.
Sinds 1562 werd het land verscheurd door de religieuze
en politieke partijstrijd tussen de hugenoten, geleid
door de Bourbons, en de katholieken onder de Guises,
waartussen de zwakke kroon trachtte te schipperen. Na de
moorden op hertog Hendrik de Guise (1588) en op koning
Hendrik III (1589) kwam de troon toe aan de Bourbonse
hugenoot, Hendrik van Navarra. Door zijn overgang tot
het katholicisme nam deze als Hendrik IV (1589–1610)
de katholieke Liga de wind uit de zeilen en in 1598
(Verdrag van Vervins) wist hij met Spanje, dat openlijk
zijn tegenstanders had gesteund, vrede te sluiten.
Hetzelfde jaar verleende hij godsdienstvrijheid aan de
hugenoten (Edict van Nantes) en ging zich, bijgestaan
door minister Sully, toeleggen op het economisch herstel
van het land.
5.4 De absolute monarchie
Aan de hof- en adelsintriges tijdens het regentschap van Maria
de Médicis (1610–1617) en de eerste jaren van het
persoonlijk bewind van Lodewijk XIII (1610–1643)
maakte het krachtdadig beleid van minister Richelieu
(1624–1642) een einde. De hugenoten werden in 1628 als
politieke macht uitgeschakeld; de adel en de parlementen
verloren hun invloed en na 1614 kwamen de
Staten-Generaal niet meer bijeen. Om de Habsburgers te
vernederen, aarzelde de kardinaal-minister niet in de
Dertigjarige Oorlog in te grijpen aan de zijde van de
protestantse mogendheden. Zijn opvolger Mazarin
(1642–1661) kon daardoor bij de Vrede van Westfalen
(1648) de Franse oostgrens afronden met een goed deel
van de Elzas. Het neerslaan van het heftig verzet van de
adel en de parlementen, de zgn. Frondes van 1648 tot
1653, opende definitief de weg voor de absolute
monarchie (zie absolutisme). De strijd tegen de Spaanse
Habsburgers kon daarna met kracht worden doorgevoerd.
Door de Vrede van de Pyreneeën (1659) moesten zij
Artesië, een strook van Henegouwen en Roussillon
afstaan. Het Spaanse huwelijk van Lodewijk XIV
(1643–1715) opende zelfs vooruitzichten op de troon
van Spanje. Frankrijk scheen meester van Europa en de
koning was meester in Frankrijk. De eens zo rumoerige
adel verdrong zich aan het schitterende hof van de
Zonnekoning te Versailles (zie Château de Versailles)
of diende in het door Le Tellier en Louvois
gereorganiseerde leger. Minister Colbert (1662–1683)
bevorderde krachtig de industrie, de handel en de
overzeese kolonisatie, en in het bijzonder de opbouw van
een krachtige zeemacht, maar zijn mercantilisme
verwaarloosde de landbouw. De herroeping van het Edict
van Nantes (1685) had, door de massale emigratie van de
hugenoten die erop volgde, de economie (met name de
industrie) een zware slag toegebracht. De
Devolutie-oorlog (1665–1669) en de Hollandse Oorlog
(1672–1678) verschaften Lodewijk, ten koste van
Spanje, Franche-Comté en talrijke grenssteden in de
Zuidelijke Nederlanden. In vredestijd liet hij, ten dele
op grond van de interpretatie van de vredesverdragen
door zijn eigen Chambres de Réunion, de rest van de
Elzas en Luxemburg bezetten. De Europese coalities,
georganiseerd door de Hollandse stadhouder Willem III,
sinds 1688 ook koning van Engeland, hebben in de
Negenjarige Oorlog (1688–1697) en de Spaanse
Successieoorlog (1701–1714) Lodewijks plannen
gedwarsboomd en het Europese evenwicht gehandhaafd.
Het lichtzinnig beleid van de regent,
Filips van Orléans (1715–1723), en van Lodewijk XV
(1715–1774) zelf heeft het regime diep geschokt. Het
gedeeltelijk staatsbankroet (1720) ten gevolge van de
financiële manipulaties van John Law droeg daar veel
toe bij. Na de dood van minister Fleury (1743) regeerde
Lodewijk XV persoonlijk, maar liet zich leiden door
gunstelingen of vrouwen (Madame de Pompadour). De
militaire successen in de Oostenrijkse Successie-oorlog
(1740–1748) wierpen geen vruchten af. In de
Zevenjarige Oorlog (1756–1763), die Frankrijk aan de
zijde van zijn oude vijand Oostenrijk voerde, ging de
suprematie ter zee en in de koloniale wereld voorgoed op
Engeland over. Het Bourbonse familieverdrag met Spanje,
Napels en Parma (1761), door minister Choiseul-Amboise
in het leven geroepen, kon niet verhinderen dat Canada,
Louisiana en de Franse invloed in Voor-Indië verloren
gingen. Choiseul kon niettemin nog Lotharingen inlijven
(1766) en Corsica aankopen (1768). Onder de regering van
de zwakke Lodewijk XVI (1774–1792) werd een aantal
financiële hervormingen doorgevoerd door de ministers
Turgot (1774–1776) en Necker (1776–1781). In hun
halfslachtigheid voldeden zij echter de burgerij niet
meer. De deelname aan de Amerikaanse Vrijheidsoorlog
(1778–1783) verbeterde wel het Franse internationale
prestige, maar verscherpte het staatsdeficit. De financiële
nood dwong de regering uiteindelijk tot het samenroepen
van de Staten-Generaal, voor het eerst sinds 1614.
5.5 De revoluties
Door gebrek aan initiatief bij de zwakke regering kon de derde
stand zichzelf uitroepen tot Nationale Vergadering (17
juni 1789). Deze schafte de feodale rechten en
standenprivileges af en proclameerde de rechten van de
mens en van de burger (4 en 26 aug. 1789; zie Déclaration
des droits de l’homme et du citoyen). De koning zag
zich verplicht in 1791 de afgekondigde grondwet te
erkennen. Door het gebruik van zijn veto ter bescherming
van de uitgeweken edelen en de onbeëdigde priesters
verbitterde hij de massa. De oproerige Parijse
gemeenteraad en een nieuwe Nationale Conventie besloten
daarop tot de uitroeping van de republiek (21–25 sept.
1792). Twee partijen betwistten elkaar de macht in de
schoot van de Conventie: de Girondijnen, gematigde
republikeinen, en de radicale Montagnards, met Danton,
Robespierre, Hébert en Marat. Niet zodra hadden deze
laatsten door een bloedig schrikbewind hun tegenstanders
uitgeschakeld, of er brak in hun gelederen tweedracht
uit tussen de meer gematigde aanhangers van Danton en de
geëxalteerde extremisten en atheïsten rond Hébert.
Robespierre bracht ze allen ten val, maar viel door zijn
onverzettelijkheid zelf als slachtoffer van de terreur
op 28 juli 1794. Met hem namen de tweede en radicale
revolutie en de terreur een einde. Uit de reactie en de
verwarring die volgden, werden de grondwet van het jaar
III en het Directoire (17 okt. 1796 – 10 nov. 1799)
geboren. Deze in zichzelf verdeelde oligarchie had af te
rekenen met een revolte van de Parijse burgerij, door
Napoleon Bonaparte in bloed gesmoord, met de steeds
voortdurende katholieke en koningsgezinde opstand in de
Vendée (zie Vendée-opstanden), de socialistische
drijverijen van Babeuf en met zware financiële
moeilijkheden. De staatsgreep van 18 brumaire (9 nov.
1799) voerde de grondwet van het jaar VIII door en
richtte het consulaat (11 nov. 1799 – 18 mei 1804) in,
waarvan generaal Napoleon Bonaparte de sterke man was.
(Zie ook Franse Revolutie.)
De republiek had zich, ondanks
binnenlandse chaos en veel voorkomend verraad, met
succes tegen haar buitenlandse vijanden weten te
verdedigen (zie coalitieoorlogen). Lazare Carnot werd de
organisator van deze overwinning. Dank zij hem was bij
het einde van 1793 het grondgebied gezuiverd van
vijanden en kon men zelfs offensief gaan optreden om de
revolutiebeginselen over Europa uit te dragen. Ter zee
had anderzijds het ontslag van de koningsgezinde
officieren de vloot goeddeels van haar leiding beroofd,
wat door het revolutionaire elan niet kon worden
gecompenseerd. De wens van Danton aan de republiek de
natuurlijke grenzen te geven die de monarchie voor zich
had gedroomd, werd bij de Vrede van Campo Formio (17
okt. 1797) verwezenlijkt. Het Directoire had, door de
gevierde Napoleon Bonaparte naar Egypte te sturen, zich
wel niet van de ambitieuze generaal kunnen ontdoen, maar
had daarmee de Franse koloniale politiek in Noord-Afrika
ingeluid.
5.6 Consulaat en Keizerrijk
Bij zijn machtsoverneming zag Napoleon zich gesteld voor de
onmogelijke opgave het bestaan en de veroveringen van de
revolutie door Europa te doen aanvaarden. Zo werd hij
meegesleurd in een reeks zegevierende oorlogen tegen de
zich steeds hernieuwende coalities (coalitieoorlogen),
waarvan Engeland telkens de ziel was. Het continentale
imperium dat hij zich daarbij had opgebouwd, zou
uiteindelijk ineenstorten door het Engelse overwicht ter
zee, het onbreekbaar verzet in Spanje en het
nationalisme in Europa, door de Franse Revolutie zelf in
het leven geroepen. Op binnenlands terrein streefde
Napoleon naar stabilisatie. De administratie, het
gerecht en het onderwijs werden hervormd en
gecentraliseerd. De Code Civil en de andere wetboeken
werden uitgevaardigd. De betrekkingen met de kerk werden
hersteld en de economie gesaneerd. Dit en zijn
krijgsroem lieten hem toe zich tot consul voor het leven
(1802) en tot keizer (1804) te laten uitroepen. Zijn
grote heerszucht en militarisme deden hem echter het
vertrouwen van de natie verliezen. De nederlaag in de
Zeeslag bij Trafalgar (1805) dwong hem tot een soort
tegenblokkade (het zgn. Continentaal Stelsel) en daarmee
tot de noodlottige veldtocht tegen Rusland (1812). In de
Slag bij Leipzig (1813) bezegelde de zesde coalitie zijn
ondergang. De zegevierende terugkeer uit zijn verbanning
op Elba duurde slechts honderd dagen. De nederlaag in de
Slag bij Waterloo (18 juni 1815) was het onafwendbaar
eindpunt van het episch intermezzo, beginpunt tevens van
de restauratie.
5.7 De restauratie
Het gecentraliseerd bestuur en de wetgeving van de republiek
en van het Keizerrijk bleven behouden, maar de adel en
de geestelijkheid herwonnen hun politiek overwicht ten
nadele van de burgerij. De buitenlandse politiek, in het
spoor van de Heilige Alliantie, verwekte verzet. De
inzet van een nieuwe koloniale expansie door de
verovering van Algiers (1830) kon daaraan niets
verhelpen. De autoritaire machtsgreep van Karel X
(1824–1830) beantwoordden de liberalen onmiddellijk
met de Julirevolutie van 1830.
5.8 De Julimonarchie
De burgerlijk denkende Louis-Philippe van Orléans
(1830–1848) aanvaardde het, te regeren met een
grondwet die de politieke macht in de handen van de
bezittende klasse legde. Sinds de economische depressie
van 1846 won de republikeinse en socialistische agitatie
gedurig veld. Toen de conservatief Guizot zich in febr.
1848 met geweld wilde verzetten tegen het gevraagde
algemeen stemrecht, kwam het volk in beweging. De
socialist Louis Blanc en de republikeinen vormden een
voorlopig bewind. Ondanks de volksoproeren van mei en
juni, het laatste door generaal Cavaignac onderdrukt,
hielden de burgerlijke republikeinen de bovenhand.
5.9 Het Tweede Keizerrijk
De roep om een sterke man bracht echter niet Cavaignac, door
de werklieden gehaat, maar Lodewijk Napoleon in de
presidentszetel. Behalve aan zijn klinkende naam dankte
hij dit aan de steun van de katholieken, die van hem de
bevoordeling van de godsdienst verwachtten. Bij een
conflict met de Wetgevende Kamer over de kieswet ontbond
hij deze (2 dec. 1851). Door een volksraadpleging liet
hij zich met de grondwetsherziening belasten. Een jaar
later (2 dec. 1852) werd het Keizerrijk heropgericht.
Als Napoleon III regeerde Lodewijk Napoleon als een
absolute vorst met een machteloze
volksvertegenwoordiging. De krijgsroem, behaald in de
Krimoorlog (1854) en in de Italiaanse veldtocht (1859),
die Savoye en Nice aan Frankrijk bracht, en het
hernieuwde internationale prestige streelden
aanvankelijk de nationale trots. Grote openbare werken
bevorderden handel en nijverheid. De dubbelzinnige
houding tegenover de paus in de Italiaanse
vrijheidsoorlog (zie Risorgimento) vervreemdde echter de
katholieken, zodat de keizer sinds 1859 verplicht was
minder autocratisch te regeren. De vrijhandelsverdragen
met Engeland (1860) en met andere landen lokten kritiek
uit. Het treurig einde van het Mexicaanse avontuur
(1862–1867; zie Maximiliaan [Mexico]) kon niet worden
uitgewist door de uitbreiding van de koloniën in
Algerije en Senegambië en door de verwerving van
Cochin-China en Cambodja (1858–1867). Het niet tijdig
ingrijpen in het conflict tussen Pruisen en Oostenrijk
(1866; zie Pruisisch-Oostenrijkse Oorlog) droeg er veel
toe bij om zijn aanzien te verminderen. De reorganisatie
van het leger door maarschalk Niel en de
grondwetswijziging in parlementaire zin (6 sept. 1869)
waren late pogingen om aan de moeilijkheden het hoofd te
bieden. Naar aanleiding van de Hohenzollern-kandidatuur
voor de Spaanse troon brak de Frans-Duitse Oorlog uit.
5.10 De Derde Republiek
De nederlaag bij Sedan (1 sept. 1870) leidde te Parijs tot de
uitroeping van de republiek (4 sept. 1870). Deze sloot
met het nieuwe Duitse keizerrijk het Verdrag van
Frankfurt (10 mei 1871), waarbij zij de Elzas en een
goed deel van Lotharingen afstond. Ondertussen was
Parijs in de greep van de socialistische en radicale
Commune (18 maart – 28 mei 1871), die door maarschalk
Mac-Mahon bloedig werd onderdrukt. Onenigheid onder de
monarchistische meerderheid in de in 1871 gekozen
Nationale Vergadering had tot gevolg dat in 1875 de
republiek grondwettelijk werd ingericht. De
royalistische president Mac-Mahon had sinds 1876 te
kampen met een republikeinse meerderheid geleid door
Gambetta en nam ontslag. Opnieuw dook met de
nationalistische generaal Boulanger de royalistische
gedachte op, maar voor een machtsgreep schrikte hij
terug (1889). De onvastheid van de ministeries en de
politieke schandalen bemoeilijkten het regeringswerk.
Het schandaal van de handel in ridderorden onder Grévy
(1887) en het Panamaschandaal (1892–1893) werden nog
in de schaduw gesteld door de Dreyfus-affaire
(1894–1906). In haar geheel is de binnenlandse
politiek sterk antikatholiek geweest. In 1905 werd
opnieuw de scheiding van kerk en staat uitgeroepen. De
sociale wetgeving, die vooral sinds 1884 vorm kreeg,
bleef ondanks de actie van Jaurès en de socialisten
aarzelend.
Ferry spande zich in voor de uitbreiding van
het koloniale rijk. In 1881 werd Tunis bezet. De Franse
interventies in Egypte (1882) en de vestiging van een
feitelijk protectoraat over Madagaskar (1884) hadden
Engeland ontstemd. Dit en de oorlog met China, waardoor
Tonkin (1884) bij de uitgebreide Franse invloedssfeer in
Achter-Indië werd gevoegd, leidden tot toenadering tot
Duitsland. Deze kwam ook tot uiting in de samenwerking
bij de regeling der Afrikaanse kwesties. Na het Siamees
geschil (1893) bereikte de Frans-Engelse naijver in het
Boven-Nigergebied en in het Boven-Nijldal een hoogtepunt
in het Fasjoda-incident (1898). Frankrijk boog het
hoofd, waardoor de toenadering tot Engeland begon. Sinds
1891 tekende een samengaan van Frankrijk met Rusland,
gegriefd door de brutale houding van Wilhelm II, zich
af; dit resulteerde in een tweevoudig verbond
(1892–1894; zie Duple Alliantie). Minister Delcassé
wist de internationale positie van Frankrijk nog
aanzienlijk te verbeteren. De regeling van hun
respectieve belangen in Noord-Afrika bracht Italië en
Frankrijk dichter bij elkaar (1898–1900). Met Engeland
werden alle nog resterende koloniale geschillen geregeld
in een Entente Cordiale (1904), terwijl de banden met
Rusland nauwer werden aangehaald. De zo ontstane Triple
Entente gaf Frankrijk een sterke positie tegenover
Duitsland in het Marokkaanse geschil (1905–1911).
Het conflict tussen Rusland en Duitsland over
de Servische kwestie sleepte Frankrijk, dat zijn
bondgenoot niet in de steek wilde laten, mee in de
Eerste Wereldoorlog. Tot 1917 was de krijgskans de
Franse legers niet bijzonder gunstig, ondanks de door
Joffre en Gallieni gewonnen Slag aan de Marne. In nov.
1917 werd de regering toevertrouwd aan Clemenceau.
Dictatoriaal en heftig ging hij elk defaitisme tegen en
reorganiseerde hij de verdediging. Een jaar later had
Frankrijk de overwinning behaald. Op de
vredesconferentie te Versailles (1919; zie
Vredesverdragen van Versailles) was Clemenceau de
dominerende figuur, maar zijn plannen om Duitsland
volledig te ontkrachten vonden geen instemming bij de
geallieerden. Niettemin kreeg Frankrijk
Elzas-Lotharingen terug.
Na de oorlog was de wederopbouw van
het door zware demografische en economische verliezen
onttakelde Frankrijk een eerste vereiste. Het politieke
leven werd voorts beheerst door de verhouding tot
Duitsland. Het land werd voorlopig geregeerd door een
rechts georiënteerde Nationale Unie, die al direct met
een stakingsgolf werd geconfronteerd. Briand poogde door
toenadering tot het gematigde Britse standpunt de
kwestie van de herstelbetalingen te regelen (Conferentie
van Cannes, jan. 1922), maar werd door de
nationalistische Poincaré ten val gebracht. Deze
trachtte met geweld, door de eenzijdige bezetting van
het Ruhrgebied (jan. 1923), een oplossing te forceren.
De verkoeling van de betrekkingen met Groot-Brittannië
werd nog sterker, toen in de Grieks-Turkse Oorlog
Frankrijk Turkije steunde, terwijl Groot-Brittannië
achter Griekenland stond. Ondertussen had Frankrijk zich
een reeks continentale bondgenoten gezocht: België
(1921), Polen (1924) en de Kleine Entente (Tsjechoslowakije,
Joegoslavië en Roemenië). De verkiezingsoverwinning
van het radicaal-socialistisch kartel in 1924
verloochende de Ruhr-politiek van Poincaré, zocht
toenadering tot Groot-Brittannië en aanvaardde het
Dawesplan voor de herstelbetalingen. Briand verhoogde
het internationale prestige door het Pact van Locarno
(1925) en het Briand-Kellogg-verdrag (1928). De financiële
moeilijkheden en de inflatie namen dreigende vormen aan
tot Poincaré er in 1928 in slaagde de franc op een
vijfde van zijn vroegere waarde te stabiliseren. Ook had
men te kampen met opstanden in Marokko en Syrië. Vóór
de verkiezingen van 1928 viel de Nationale Unie uiteen.
Tardieus strenge politiek tegen Duitsland (1932)
ondervond Britse kritiek en verbitterde Duitsland. Zo
was Frankrijk weer op zijn continentale
bondgenootschappen en op een stevige verdediging (Maginotlinie)
aangewezen.
De verkiezingen van 1932 brachten opnieuw een
linkse overwinning, maar de financiële moeilijkheden,
de economische achteruitgang en de kritiek op het
parlementaire stelsel maakten een stabiele regering
onmogelijk. Parijs zelf was het toneel van
straatgevechten, waarbij zowel royalistische en
fascistische als communistische groepen betrokken waren.
Doumergue vormde daarop een kabinet van nationale
concentratie met Pétain en Barthou (febr. 1934). Deze
laatste spande zich in om het Franse alliantiesysteem te
verstevigen. Met de Kleine Entente, de Sovjet-Unie die
hij in de Volkenbond bracht, en wellicht ook met Italië
hoopte hij Hitler-Duitsland te isoleren, vooral daar
Polen zijn pro-Franse politiek had opgegeven. Bij zijn
poging tot verzoening van Joegoslavië en Italië werd
hij vermoord (9 okt. 1934). In de daaropvolgende maand
nam premier Doumergue ontslag, daar zijn
grondwetsherziening ter versteviging van het uitvoerend
gezag verworpen werd. De deflatiepolitiek van zijn
opvolger Laval was bij de massa uiterst onpopulair. Op
14 juli 1935 vormde zich een eenheidsfront van
communisten, socialisten en radicalen, die zich ook in
demonstraties keerden tegen de sterke fascistische
stromingen (zie fascisme). De val van Laval (22 jan.
1936) was echter ook te wijten aan de voortzetting van
de buitenlandse politiek van Barthou. Reeds als minister
van Buitenlandse Zaken had hij met Mussolini het Verdrag
van Rome (jan. 1935) gesloten. In febr. 1936 werd het
reeds in mei 1935 gesloten Frans-Russisch Verdrag
ondertekend. De daaropvolgende bezetting van het
Rijnland door de Duitse troepen (7 maart 1936) en de
opzegging van de Locarno-verdragen moesten onbeantwoord
blijven bij gebrek aan Engelse steun.
De volksfront-regering van Léon Blum, in juni
1936 aan de macht gekomen, voerde sociale verbeteringen
door die echter een enorme kapitaalvlucht en een sterke
inflatie tot gevolg hadden. Geheel in de lijn van haar
programma stelde de regering de Banque de France en de
wapenindustrie onder toezicht en trad op tegen de
fascistische groeperingen. Uit vrees voor een
wereldoorlog voerde Blum echter, gesteund door Engeland,
een politiek van non-interventie in de Spaanse
Burgeroorlog. Het radicale kabinet-Daladier (10 april
1938) sloeg zelfs een tegengestelde richting in. De
scherpe deflatiepolitiek lokte stakingen uit, maar
verbeterde de economische toestand.
In de internationale politiek liet men zich
verder door Groot-Brittannië leiden. De oude Franse
bondgenoot Tsjechoslowakije werd op de Conferentie van München
(sept. 1938) prijsgegeven. Tegen de aanspraken van
Mussolini in de Middellandse Zee zette Daladier zich
echter schrap en erkende zelfs de regering van Franco in
dat verband. Na de flagrante schending van het akkoord
van München gaven beide landen garanties aan de
Balkanstaten en Polen. Pogingen het Frans-Russisch
Verdrag te verstevigen stuitten op het tot stand komen
van het Duits-Russisch non-agressiepact (aug. 1939).
5.11 Tweede Wereldoorlog
Na de Duitse inval in Polen verklaarden Groot-Brittannië en
Frankrijk op 3 sept. 1939 de oorlog aan Duitsland. Op 10
mei 1940 trokken de Duitse troepen Frankrijk binnen. Het
Franse leger en zijn ten onrechte op de Maginotlinie
vertrouwende leiders bleken niet opgewassen tegen deze
macht. Binnen enkele weken stortte de defensie volledig
ineen. Op 22 juni sloot de regering, waarin Paul Reynaud
op 20 maart 1940 Daladier als premier was opgevolgd en
al op 16 juni plaats had moeten maken voor de oude
maarschalk Philippe Pétain, een wapenstilstand met
Duitsland. Het grootste deel van het land, met Parijs en
de hele Atlantische en Kanaalkust, werd door de Duitsers
bezet. Twee dagen later volgde een wapenstilstand met
Italië, dat op 10 juni Frankrijk binnengevallen was. De
regering-Pétain vestigde zich in Vichy in het onbezette
deel van Frankrijk. Na de geallieerde landing in
Noord-Afrika (nov. 1942) breidden de Duitsers hun
bezetting over het hele land uit. In de regering te
Vichy had de naar samenwerking met Duitsland strevende
ex-premier Laval inmiddels de feitelijke leiding
gekregen (maart 1942). Pétains plaatsvervanger,
admiraal Darlan, sloot zich in nov. 1942 bij de
geallieerden aan. Ondanks de vernieuwing van de
nationale identiteit die Pétain en de zijnen in l'État
Français (de officiële naam van de republiek van Vichy)
probeerden door te voeren – o.a. door een nieuw
devies: travail, famille, patrie –
collaboreerde Pétain in feite met de Duitsers.
Aangezien het collaboratie was op het hoogste politieke
niveau, vormt het Vichy-bewind een nog niet verwerkt
hoofdstuk uit het Franse oorlogsverleden.
Buiten Frankrijk zette de naar
Engeland uitgeweken generaal Charles de Gaulle met een
kleine groep ‘vrije Fransen’ de strijd tegen de
Duitsers voort. In Frankrijk zelf ontstonden
verscheidene verzetsbewegingen, die vanaf mei 1943
samenwerkten in het Conseil National de la Résistance.
De Gaulle werd in 1943 hoofd van een Frans nationaal
bevrijdingscomité en keerde bij de bevrijding in aug.
1944 terug als hoofd van een voorlopige regering. Deze
regering steunde op de progressieve katholieke MRP
(Mouvement Républicain Populaire), de socialisten en de
communisten. De Fransen die met de Duitsers hadden
samengewerkt, werden gestraft. Pétain werd ter dood
veroordeeld (wat door De Gaulle in levenslang werd
gewijzigd), Laval werd gefusilleerd. In jan. 1946 trok
De Gaulle zich uit de regering terug (zie ook Tweede
Wereldoorlog)
5.12 De Vierde Republiek
In okt. 1946 werd bij een volksstemming de nieuwe grondwet
goedgekeurd. De socialist Vincent Auriol werd in jan.
1947 de eerste president van de Vierde Republiek. Dit
tijdperk werd gekenmerkt door politieke instabiliteit.
De economische toestand ontwikkelde zich ondanks
devaluaties en talloze stakingen gunstig. Een groot
aantal kabinetten volgde elkaar in snel tempo op. De
belangrijkste politieke figuren waren: Georges Bidault (MRP),
premier in 1946 en minister van Buitenlandse Zaken in
verscheidene kabinetten, Robert Schuman (MRP), premier
in 1947/1948 en minister van Buitenlandse Zaken van 1948
tot 1953, voorvechter van de Europese samenwerking, de
conservatief Antoine Pinay, premier in 1952, wiens
financiële politiek tegen de geldontwaarding was
gericht, en de radicaal Mendès-France, die ten slotte
de beslissing tot een wapenstilstand nam in de oorlog in
Indo-China (zie Indo-Chinese Oorlogen).
Nadat de rechtse partijen korte tijd
hun aantrekkingskracht hadden verloren, herstelden de
conservatieven zich na de oorlog al snel. Begin jaren
vijftig organiseerde Pierre Poujade de ontevreden
middenstand en ambachtslieden, waarmee het
georganiseerde rechtse volksprotest zijn herintrede deed
in de Franse politiek.
De Gaulle, die zich tegen de nieuwe
grondwet had gekant wegens de zijns inziens te zwakke
positie van de uitvoerende macht tegenover het
parlement, richtte in 1947 een eigen partij op, de
Rassemblement du Peuple Français. De dekolonisatie
bracht ten slotte de ondergang van de Vierde Republiek.
In Algerije was in 1954 verzet tegen het Franse bewind
ontstaan. Uit vrees voor mogelijke onderhandelingen met
de Algerijnse nationalisten vormden Fransen in Algerije
met steun van het leger op 13 mei 1958 een revolutionair
‘comité de salut public’, dat een regering onder De
Gaulle bepleitte. Om een burgeroorlog te voorkomen gaf
president Coty (die in 1954 Auriol was opgevolgd) een
opdracht tot kabinetsformatie aan De Gaulle, die behalve
van de rechtse partijen ook steun kreeg van de MRP en
een deel van de radicalen en de socialisten (1 juni
1958).
Al mocht de Vierde Republiek uiteindelijk aan
haar eigen instabiliteit ten onder gaan, op het Europese
vlak initieerde zij vele integratieplannen (Kolen- en
Staalgemeenschap, Defensiegemeenschap) die de
stabiliteit in Europa moesten bevorderen. Deze plannen
kunnen echter niet los gezien worden van de naoorlogse
Duitslandpolitiek, waarmee Frankrijk poogde om de
Bondsrepubliek Duitsland onder controle te krijgen door
het te integreren in West-Europa.
5.13 De Vijfde Republiek
Met volmachten bekleed, kon De Gaulle zijn plannen voor
staatkundige hervormingen doorzetten. Meer dan 80% van
de kiezers sprak zich op 28 sept. 1958 uit voor een
nieuwe grondwet, die de invloed van het parlement
beknotte en veel gezag in handen legde van de president.
De nieuwe gaullistische partij, de Union pour la
Nouvelle République (UNR), kreeg dankzij het
districtenstelsel (zie kiesstelsel) de grootste fractie
in de Nationale Vergadering. De Gaulle werd op 8 jan.
1959 als president geïnstalleerd, premier werd zijn
volgeling M. Debré, die in april 1962 plaats moest
maken voor de ex-bankier Pompidou.
Toen ook De Gaulle voor het Algerijnse
probleem geen andere uitweg zag dan onafhankelijkheid,
kwamen de rechtse politici en militairen, die hem aan de
macht hadden geholpen, in opstand. Hun staatsgreep
(onder leiding van generaal Salan) te Algiers (22 april
1961) werd echter onderdrukt; hun organisatie van het
geheime leger (OAS) bloedde geleidelijk dood. Het gezag
van De Gaulle werd versterkt doordat bij referendums
over omstreden zaken een ruime meerderheid zich voor
zijn politiek uitsprak. Zo sprak op 8 april 1962 90,7%
van de kiezers zich uit voor de Algerijnse
onafhankelijkheid. Met een wijziging van de grondwet,
waardoor de president voortaan rechtstreeks werd
gekozen, verklaarde op 28 okt. 1962 61,7% van het
electoraat zich akkoord. In maart 1967 behielden de
gaullisten samen met hun onafhankelijk-republikeinse
bondgenoten ternauwernood de meerderheid. Intussen was
de ambtstermijn van De Gaulle in dec. 1965 met zeven
jaar verlengd.
Met de machtsoverneming door De Gaulle werd
een geheel nieuwe koers ingeslagen, gericht op herstel
van de onafhankelijke en invloedrijke positie tussen de
grote machten. Het dekolonisatieproces werd bespoedigd.
De Gaulle wenste de EEG dienstbaar te maken aan een
‘Europa der Vaderlanden’, een Europa dat zich zou
moeten uitstrekken van de Atlantische Oceaan tot aan de
Oeral. Daartoe moest de invloed van de Verenigde Staten
worden teruggedrongen. Frankrijk onttrok zijn troepen in
1966 geheel aan het NAVO-gezag; NAVO-bases moesten
worden ontruimd. Het land streefde naar de opbouw van
een onafhankelijke kernmacht (febr. 1960: eerste
atoombom; aug. 1968: eerste waterstofbom; geen
ondertekening van het Non-Proliferatieverdrag).
Groot-Brittannië werd tot tweemaal toe (resp. in jan.
1963 en in dec. 1967) door een Frans veto uit de EEG
geweerd. De betrekkingen met de Bondsrepubliek Duitsland
werden nauwer aangehaald door een vriendschapsverdrag
(22 jan. 1963). Ook werden de betrekkingen met de
Sovjet-Unie en de andere Oost-Europese landen verbeterd,
waarbij De Gaulle er tegelijkertijd naar streefde de
dominerende positie van de Sovjet-Unie in Oost-Europa af
te zwakken. Met de Arabische landen werden goede
relaties opgebouwd, wat op de betrekkingen met Israël
zijn weerslag had. Het paternalistische regime van De
Gaulle werd in 1968 geconfronteerd met de Meirevolte,
die begon in de universitaire wereld van Parijs en
oversloeg op vrijwel de gehele Franse arbeidersklasse,
waarmee de studenten zich solidair hadden verklaard. De
opstand verliep, nadat aanzienlijke loonsverhogingen en
vernieuwingen, o.a. op onderwijsgebied, waren toegezegd.
Bij in juni gehouden verkiezingen sprak een groot deel
van het Franse volk zich uit voor de bestaande
verhoudingen. De gaullisten, die met de onafhankelijke
republikeinen en andere onafhankelijken een breed front
tegen de linkerzijde vormden onder de naam Union pour la
Défense de la République, boekten grote winst en
behaalden de absolute meerderheid in de Nationale
Vergadering. Premier Pompidou werd vervangen door Couve
de Murville.
5.14 De jaren zeventig en tachtig
In april 1969 trad De Gaulle af, daar zijn voorstellen met
betrekking tot een hervorming van de Senaat en een
nieuwe regionale indeling in die maand waren verworpen.
De presidentsverkiezingen brachten een overwinning voor
Georges Pompidou. Op binnenlands terrein streefde
Pompidou naar een snelle industrialisatie, in de
buitenlandse politiek volgde hij de lijn-De Gaulle,
hoewel minder star (bijv. medewerking aan Engelands
toetreding tot de EEG, positiever deelname aan
NAVO-vergaderingen). Bij de parlementsverkiezingen van
maart 1973 boekten de samenwerkende socialisten en
communisten winst, maar de regeringspartijen behielden
de meerderheid. Links werkte ook samen bij de door de
dood van Pompidou (2 april 1974) noodzakelijk geworden
presidentsverkiezingen. Deze werden in mei 1974 gewonnen
door de minister van Financiën en Economie, de
onafhankelijke republikein Giscard d'Estaing. Hij
versloeg met zeer gering verschil de socialistische
leider F. Mitterrand. Nadien traden socialisten en
communisten niet meer als blok bij de verkiezingen op:
in 1977 ontstond een breuk tussen de partijen.
Onder Giscard werd het door zijn
directe voorgangers gevoerde beleid in grote lijnen
voortgezet. In de buitenlandse politiek bleef het
streven naar een sterk, door Frankrijk en de
Bondsrepubliek Duitsland beheerst Europa, onafhankelijk
van de Verenigde Staten, gehandhaafd, evenals de
pro-Arabische houding in het Midden-Oosten. In voormalig
Frans-Afrika bleef Frankrijk vertegenwoordigd door de
aanwezigheid van militaire troepen en adviseurs, terwijl
de financieel-economische invloed nog werd vergroot.
Giscards bewind had o.m. te kampen met separatistische
bewegingen op Corsica en in Bretagne. Mei 1981 werd
Giscard verslagen door de presidentskandidaat van links,
Mitterrand. Na de parlementsverkiezingen in juni kwam er
een regering van socialisten (PS) en communisten (PCF)
onder P. Mauroy. Geheel volgens het verkiezingsprogramma
probeerde men via nationalisaties de Franse economie te
verbeteren. Door tegenvallende resultaten werd men in
juni 1982 al gedwongen om het progressieve economische
beleid af te zwakken. Onder L. Fabius maakten de
communisten niet langer deel uit van de regering. Nadat
UDF–RPR onder aanvoering van Jacques Chirac (RPR) in
maart 1986 de parlementsverkiezingen hadden gewonnen
werd de Vijfde Republiek geconfronteerd met een in haar
geschiedenis onbekende staatkundige variant, de cohabitation:
een premier en een president van verschillende politieke
kleur. Nadat Mitterrand in mei 1988 opnieuw de
presidentsverkiezingen had gewonnen (van Chirac) kwam er
na de parlementsverkiezingen van juni 1988 opnieuw een
socialistische regering onder leiding van M. Rocard. In
de jaren tachtig vielen vooral op: het kleiner worden
van de electorale basis van de communistische partij en
haar politieke invloed, de opkomst van extreem-rechts in
de vorm van het Front National van Jean-Marie Le Pen en
de opkomst van de Groenen (Les Verts, sinds juni
1989 vertegenwoordigd in het Europees Parlement).
5.15 De jaren negentig Met de benoeming
van Edith Cresson, op 15 mei 1991, werd voor het eerst
een vrouw premier van Frankrijk. Doordat zij premie- en
belastingverhogingen voorstelde en een harder optreden
tegen illegalen voorstond, liep haar populariteit snel
terug. Zij werd in april 1992 opgevolgd door Pierre Bérégovoy.
Deze trad als premier terug na de socialistische
nederlaag bij de verkiezingen van 12 maart 1993 en werd
opgevolgd door Edouard Balladur. In mei pleegde de
teleurgestelde Bérégovoy zelfmoord, mede naar
aanleiding van het mislukken van zijn economisch
programma. De slechte economische situatie leidde in
juli 1993 tot aanvallen door speculanten op de Franse
franc. Het gevolg was dat de Franse franc de facto het
Europees Monetair Stelsel moest verlaten.
De regering-Balladur kreeg in 1994 te maken
met talrijke corruptieschandalen die enkele ministers
tot aftreden dwongen. Fel verzet ontmoette de regering
toen zij, in een poging het islamitische volksdeel tot
assimilatie te dwingen, een verbod instelde op het
dragen van een hoofddoek voor meisjes op scholen.
Bij de presidentsverkiezingen van mei 1995
liet Jacques René Chirac, leider van de gaullistische
RPR en burgemeester van Parijs, eerst zijn door
schandalen achtervolgde partijgenoot Balladur achter
zich om in de tweede ronde ook van de socialistische
kandidaat Lionel Jospin te winnen. Jean-Marie Le Pen van
het extreem-rechtse Front National verwierf 15% van de
stemmen. Na aanvankelijk enige van Chiracs
verkiezingsbeloften te hebben ingelost, daalde de
populariteit van premier Juppé, die een straf
bezuinigingsbeleid voorstond, snel. Een golf van
stakingen legde eind 1995 het openbare leven lam. In
okt. en nov. 1996 kwam het tot massale stakingen bij de
spoorwegen, in de luchtvaart, het onderwijs en andere
overheidsdiensten. Vrachtwagenchauffeurs gingen over tot
blokkades ter verbetering van hun arbeidsvoorwaarden,
aan welke eis de regering gedeeltelijk tegemoetkwam.
Intussen daalde de economische groei en bereikte de
werkloosheid een naoorlogs record.
In 1995 werd Parijs opgeschrikt door een
aantal terroristische aanslagen van de Algerijnse
fundamentalistische-islamitische organisatie GIA (zie
FIS). Op Corsica vond in 1995 en 1996 een groot aantal
bomaanslagen plaats die het werk waren van verschillende
nationalistische bewegingen.
Begin jan. 1996 overleed oud-president François
Mitterrand. Bij gemeenteraadsverkiezingen in febr. 1997
in het Zuid-Franse stadje Vitrolles behaalde het Front
National een absolute overwinning, waarmee de vierde
Zuid-Franse stad in handen viel van extreem-rechts,
terwijl Nice wordt bestuurd door een geestverwant van Le
Pen. Peilingen gaven aan dat 30% van de Fransen de ideeën
van het Front National onderschreef. In het voorjaar van
1997 schreef president Chirac vervroegde verkiezingen
uit in de hoop de positie van de regering-Juppé te
versterken. In twee verkiezingsronden behaalden de
socialisten onder leiding van Jospin en hun bondgenoten
op 1 juni een grote overwinning en kwamen met 282 van de
577 zetels in de Nationale Vergadering.
In 1995 lokten Franse kernproeven op het atol
Mururoa in de Stille Zuidzee felle internationale
protesten uit, vooral van Australië, Nieuw-Zeeland en
Japan. Na de proeven ondertekende Frankrijk begin 1996
het Verdrag van Rarotonga voor een kernwapenvrije zone
in de Stille Zuidzee. In juni 1996 maakte minister van
Defensie Millon op een halfjaarlijkse vergadering van
zijn NAVO-collega’s in Brussel bekend dat Frankrijk
wilde meewerken aan een ‘nieuwe’ NAVO met een aparte
Europese defensie-identiteit.
In EU-verband pleitte Frankrijk voor een
streng gemeenschappelijk drugsbeleid. President Chirac
had zich herhaaldelijk gekeerd tegen het liberale
Nederlandse drugsbeleid.
In de aanloop naar de Europese top in Dublin
van dec. 1996 ontstond onenigheid tussen Frankrijk en
Duitsland over het stabiliteitspact, dat na
inwerkingtreding van de EMU moet zorgen voor
begrotingsdiscipline bij de deelnemende landen. Parijs
pleitte voor meer politieke vrijheid: ruimere marges en
minder autonomie voor de Europese Centrale Bank.
Met de vervroegde parlementsverkiezingen van
mei/juni 1997 beoogde president Chirac extra tijd te creëren
om, zo nodig, pijnlijke maatregelen uit te voeren die
nodig waren om te voldoen aan de criteria voor deelname
aan de EMU. Chirac gokte en verloor: winnaar werd de
Socialistische Partij (PS) onder leiding van Lionel
Jospin, die een coalitie vormde met de communisten (PCF)
en de Groenen.
In okt. 1997 ging de regering akkoord met
voorstellen van Justitie-minister Elisabeth Guigou (PS)
om het Openbaar Ministerie onafhankelijker te maken van
de politiek. Het proces tegen de van misdrijven tegen de
menselijkheid verdachte Maurice Papon (87), in de Tweede
Wereldoorlog secretaris-generaal van Bordeaux en belast
met ‘joodse zaken’, leidde in 1997 en 1998 tot een
discussie over het Franse oorlogsverleden. De Assemblée
Nationale stemde in febr. 1997 in met het voorstel van
president Chirac om de militaire dienstplicht te
vervangen door enkele maanden verplicht
vrijwilligerswerk en het volgen van een korte cursus
Frans staatsburgerschap.
Het
Front National viel in 1998 ten prooi aan een intern
conflict tussen voorzitter Le Pen en tweede man Bruno Mégret.
Behalve een persoonlijke machtsstrijd, lag ook een
verschil in strategisch inzicht aan de basis van de
scheuring. In tegenstelling tot Le Pen opteert Mégret
voor een Front National die zich niet isoleert als
protestpartij, maar open staat voor regeringsdeelname in
een rechtse coalitie. Le Pen beschuldigde Mégret en
zijn medestanders van verraad en zette hen uit de
partij. Tijdens een buitengewoon congres in jan. 1999
bleek een meerderheid achter Mérgret te staan en werden
de royementen ongedaan gemaakt. Het Front National viel
daarop uiteen in twee partijen: het Front National en
het Front National-Mouvement National. Ideologisch
verschillen de twee partijen niet van elkaar; beide
keren zich tegen immigratie.
5.16 Kolonisatie en dekolonisatie
Frankrijk verkreeg zijn meeste koloniën in de 19de eeuw; de vroeger gekoloniseerde gebieden op het Amerikaanse
continent (o.m. Canada en Louisiana) moesten na de
Zevenjarige Oorlog in 1763 aan Engeland worden
afgestaan. Met de verovering van Algiers in 1830 begon
de ontwikkeling van het Franse koloniale rijk in Afrika,
dat ten slotte grote gebieden in Noord-, West- en
Centraal-Afrika omvatte. In 1881 kwam Tunesië en
in 1912 Marokko onder Frans gezag. In de tweede
helft van de 19de eeuw werd Indo-China
geleidelijk gekoloniseerd. Tussen de beide
wereldoorlogen bereikte de Franse invloed zijn grootste
uitbreiding. Syrië en Libanon, die als mandaatgebieden
aan Frankrijk waren toegewezen, werden in 1941 door de
geallieerden onafhankelijk verklaard. Op een conferentie
van de vrije Fransen te Brazzaville (Kongo) in 1944 werd
de basis gelegd voor een nieuwe verhouding tussen
Frankrijk en zijn overzeese gebieden na de oorlog. Als
uitvloeisel hiervan werd bij de grondwet van 1946 de Franse
Unie in het leven geroepen, waarin de delen een
verschillende graad van zelfbestuur konden krijgen. De
nationalistische bewegingen in Indo-China dwongen
Frankrijk in 1949 Cambodja, Laos en Vietnam de
onafhankelijkheid te verlenen binnen de Franse Unie. De
nederlaag bij Dien Bien Phu tegen de communistische Viet
Minh-opstandelingen leidde in 1954 tot de deling van
Vietnam: Zuid-Vietnam bleef tot 1956 in de Franse Unie,
Noord-Vietnam werd onafhankelijk. Ook Laos en Cambodja
werden nu geheel onafhankelijk. Tunesië en Marokko
kregen in 1956 onafhankelijkheid.
Na de machtsovername door generaal De Gaulle
werd de Franse Unie in 1958 omgezet in de Franse
Gemeenschap, welke was samengesteld uit de Franse
Republiek en veertien voormalige koloniale Afrikaanse
gebieden. Frans Guinea (zie Guinee) verwierp bij een
referendum als enige de grondwet van 1958 en verbrak
daarmee alle banden met Frankrijk. De overige gebieden
kregen intern zelfbestuur, maar werden in 1960 eveneens
onafhankelijk verklaard. Met Tsjaad had Frankrijk rond
1980 nog een conflict omtrent de troepenstationering in
dat land. In 1984 werden de laatste Franse legereenheden
uit Tsjaad teruggetrokken. De zwaarste strijd werd
echter gestreden in Algerije, waar ca. 1‚ miljoen
Europese kolonisten woonachtig waren en dat als
departement van Frankrijk werd bestuurd. Hier brak in
1954 onder de Arabische bevolking een opstand uit –
met verstrekkende gevolgen voor de Franse binnenlandse
politiek – welke in 1962 leidde tot de
onafhankelijkheid. Van de resterende overzeese
bezittingen bleef Afar- en Issaland (vroeger Frans
Somaliland) zijn autonome status behouden tot 1977. In
dat jaar werd het onafhankelijk onder de naam Djibouti.
Over de huidige structuur van de Franse Gemeenschap
bestaat ontevredenheid in de overzeese gebiedsdelen.
Halverwege de jaren tachtig kwam het tot grote
ongeregeldheden op Nieuw-Caledonië, waar de Kanaken
meer zelfstandigheid wilden ten koste van de
allochtonen, die vreesden voor hun economische positie.
Voorjaar 1988 wist Frankrijk door militair ingrijpen de
orde te herstellen.
Het assimilatiebeleid. Het militaire element heeft in het Franse
kolonialisme altijd een vooraanstaande rol gespeeld,
maar in Noord-Afrika werd vanuit het moederland
geprobeerd om d.m.v. assimilatie te komen tot een
vreedzaam bestuur over dit gebied. Deze politiek van
assimilatie had tot doel om (vooral door onderwijs) de
Noord-Afrikaan op te voeden in de Franse cultuur, op den
duur uitmondend in een volwaardig Frans
staatsburgerschap: de Franse natie aan beide zijden van
de Middellandse Zee. Het islamitisch verzet tegen deze
‘gallificatie’ bleek echter te sterk. Slechts een
smalle laag assimileerde de Franse cultuur werkelijk. De
assimilatiepolitiek heeft haar grote doel niet bereikt.
Zij is echter niet helemaal zonder gevolgen gebleven
voor Noord- en West-Afrikaanse landen. Vele van de
voormalige overzeese gebiedsdelen maken met de nog
bestaande overzeese gebiedsdelen deel uit van de
Franstalige wereld.
De populariteit van de nieuwe coalitieregering
–Jospin was aanvankelijk groot, maar werd
al spoedig op de proef gesteld door een aantal
binnenlandse ontwikkelingen. Het verzet van de vakbonden
tegen saneringen in de sociale voorzieningen nam grote
vormen aan en resulteerde in enkele grote stakingen en
demonstraties.
In oktober 1998 gingen in heel
Frankrijk een half miljoen middelbare scholieren de
straat op om meer
middelen voor het secundair onderwijs te eisen. De
invoering van een 35-daagse werkweek in 1998
om meer arbeidsplaatsen te scheppen, deed de
relatie tussen regering en werkgevers geen goed en in
1999 werd de positie van Jospin verder verzwakt toen
minister van Financiën Dominique Strauss-Kahn, na
Jospin de machtigste man in de regering op 2 november
zijn aftreden bekendmaakte, nadat hij van corruptie was
beschuldigd. Op Corsica waar al jarenlang een
afscheidingsbeweging actief is, werd in februari 1998 de
prefect vermoord, waarna de regering in Parijs een
onderzoekscommissie naar het eiland stuurde, die in
oktober van dat jaar met een vernietigend rapport over
de politieke en sociale verhoudingen aldaar uitkwam.
Eind jaren negentig trok de economie verder aan.
Frankrijk (La France; officieel: République
française), republiek
in West-Europa, 543!965 km2,
met (schatting 1995) 57,8 miljoen inw. (106 inw. per km2);
hoofdstad: Parijs. De Franse staat omvat, naast Europees
Frankrijk als integrerend deel, de overzeese
departementen: Guadeloupe, Frans Guyana, Martinique en
La Réunion, de ‘collectivités territoriales’ Îles
Saint-Pierre et Miquelon en Mayotte, en vier overzeese
territoriën: Nieuw Caledonië, Nieuwe Hebriden, Frans
Polynesië en Wallis-et-Futuna. Frankrijk maakt
aanspraak op een deel van Antarctica: Adélieland.
Munteenheid is de franc (F), verdeeld in 100 centimes. Nationale feestdag
is 14 juli, de dag waarop de bestorming van de Bastille
in 1789 plaatsvond.
1. Fysische geografie
1.1 Geologie
Frankrijk bestaat vnl. uit vijf grote geologische eenheden: het Cadomisch
orogeen, het Variscisch orogeen, het alpine orogeen, het
Bekken van Parijs en het Bekken van Aquitanië. Het
Cadomisch orogeen is ontsloten in het Armorikaans
Massief. Sedimentatie en vulkanisme vonden plaats
tijdens het laatste gedeelte van het Precambrium; de
plooiing is van vroeg-cambrische ouderdom. Gedeelten van
het Variscisch orogeen vindt men op vele plaatsen in
Frankrijk. Gesteenten, gevormd of geplooid tijdens de
Variscische orogenese, komen voor in de Ardennen,
Vogezen, Bretagne, Massif Central (Centraal Massief),
Pyreneeën en in de alpine centrale massieven als Mont
Blanc, Aiguilles Rouges, Belledonne, Mont Pelvoux en
Argentera. Behalve de Ardennen bestaan de meeste
Variscische gesteenten uit kristallijne schisten en
intrusieve granieten. Niet-gemetamorfoseerde paleozoïsche
sedimenten komen betrekkelijk weinig voor, behalve in de
Pyreneeën en Bretagne. Al deze gebieden, in de
ondergrond verbonden, vormen een uitgebreid gebied van
metamorfe en intrusieve gesteenten.
Het alpine gebergte vormt in Oost-Frankrijk de West-Alpenboog (zie Alpen);
daarnaast vindt men alpine geplooide gesteenten aan de
noordrand van de Pyreneeën. Ofschoon intensieve
plooiing en regionale metamorfose eveneens in de Alpen
voorkomen, is dit gebergte toch van geheel andere aard
dan het Variscische. Men onderscheidt verscheidene zones
in het Franse deel van de Alpen, en wel: a.
de Jura, bestaande uit geplooid Mesozoïcum dat over de
Trias anhydriet is afgeschoven (decollement); b.
de Helvetische zone, die in tegenstelling tot deze zone
in Zwitserland niet uit dekbladen, maar uit autochtone
plooien bestaat, en c.
de Penninische zone, die wel uit dekbladen bestaat en
waar de meeste gesteenten in regionaal metamorfe
toestand voorkomen. Variscische centrale massieven
worden tot de Helvetische zone gerekend. Daarnaast
bestaat het alpine gebergte in Frankrijk grotendeels uit
mesozoïsche gesteenten. Gesteenten van dezelfde
ouderdom vindt men in de Bekkens van Parijs en Aquitanië,
waar zij evenwel vrijwel ongeplooid zijn. Deze bekkens
vormen de epicontinentale bedekking van het Variscisch
grondgebergte, waarop zij dus discordant liggen. In de
Alpen is het Variscisch gebergte gedeeltelijk
meegeplooid tijdens de alpine orogenese.
1.2 Geomorfologie
Schematisch onderscheidt men in Frankrijk twee grote delen. Noord- en
West-Frankrijk, die deel uitmaken van de West-Europese
laagvlakte, worden gekenmerkt door een gematigd reliëf:
kustvlakten, brede valleien, grote sedimentaire bekkens
met golvend reliëf en heuvelrijen, evenals oude,
gedenudeerde kristallijne massieven. Zuid- en
Oost-Frankrijk worden getypeerd door hoge reliëfvormen,
variërend van oude massieven met min of meer sterk
uitgesproken reliëfvormen tot jonge gebergteketens.
Tussen deze hoge reliëfvormen komen belangrijke, in de meeste gevallen
noord-zuidgerichte depressies voor.
De oude massieven: a.
het Armorikaans Gebergte omvat naast de aan de randen gelegen massieven:
Centraal Bretagne (tot 384 m hoog), ‘Bocage normand’
(tot 417 m hoog) en de ‘Gâtine vendienne’ (tot 295
m hoog), bestaande uit harde kristallijne gesteenten. b.
De Vogezen
zijn aanzienlijk hoger (tot 1426 m), vooral de
zuidelijke hoge kristallijne gebergten. c. Het Massif Central
(gemiddeld 715 m hoog) is een oud Variscisch vervlakt
gebergte met een algemene helling van oost naar west. De
kern omvat hoge, versneden kristallijne massieven (Monts
du Forez, 1640 m), vulkanische gebergten (Chaîne des
Puys) en basaltplateaus (Aubrac, Velay). d.
Corsica en de kustmassieven
van Maures en Estérel werden door de alpine
plooiing zeer sterk opgestuwd en sindsdien door de
erosie sterk aangetast, zodat zij een vrij chaotisch
reliëf vertonen, dat in Corsica (Monte Cinto, 2710 m)
zelfs alpine allures aanneemt. e. De Ardennen omvatten
bij de Belgische grens een klein deel van
Noordoost-Frankrijk.
De jonge gebergten: a.
de Pyreneeën vormen een massieve rechtlijnige keten van 450 km lengte.
Slechts een paar toppen overschrijden de 3000 m (Vignemale,
3298 m), terwijl ook de gletsjers zeer beperkt zijn. Het
gebergte omvat in hoofdzaak opgestuwde kristallijne
massieven. De valleien zijn alle loodrecht op de keten. b.
Het Franse deel der Alpen
vormt een 350 km lang boogsegment met jonge, hoge reliëfvormen.
De noordelijke Alpen vertonen een duidelijk door
gletsjers beïnvloede morfologie (Mont Blanc, 4807 m).
Zij zijn vochtig en hebben sterke sneeuwval in de
winter. De zuidelijke Alpen zijn lager, werden minder
door de gletsjers beïnvloed en vertonen een meer
onrustig reliëf; zij zijn veel droger. c.
De Jura
bestaat uit een lagere (meer dan 500 m, maximaal 1723 m
hoog), compacte, sikkelvormige keten die zich over 250
km lengte en ca. 60 km breedte van het Massief van de
Grande Chartreuse tot Noordoost-Zwitserland uitstrekt.
Naast de oostelijke geplooide ketens omvat zij in het
westen brede kalkplateaus.
De sedimentaire bekkens: a.
Het Bekken van Parijs strekt zich uit over een derde deel van Frankrijk.
Het werd opgebouwd door een reeks sedimentaire lagen van
wisselende hardheid die aanleiding gaf tot plateaus,
cuestaheuvelruggen (côtes) en vlakten. Van het centrum
naar de rand toe onderscheidt men het Île de France, de
randplateaus uit de Krijtperiode (Champagne, Picardië,
Normandië), die uit de Jura (Lorraine, Basse Bourgogne,
Berry, Campagne de Caen) en, in het oosten, de plateaus
uit de Triastijd (Saulnois). b.
Het Bekken van
Aquitanië omvat, naast de kalkplateaus van Aunis,
Saintonge, Périgord en Quercy ten noorden van de
Garonne, de grote door rivieren versneden puinkegel, die
zich waaiervormig aan de voet der Pyreneeën uitstrekt
(Plateau de Lannemezan, Armagnac) en de uitgestrekte
zandvlakte van de Landes.
1.3 Hydrografie
De meeste Franse stromen ontspringen in het gebergte, vooral in Massif
Central, Alpen, Pyreneeën, Vogezen en hoogland van
Normandië. Afgezien van een aantal kustrivieren behoort
het Franse grondgebied tot zeven grote stroombekkens:
die van de Loire, Seine, Garonne, Rhône, Maas, Rijn en
Schelde. Men kan drie zones onderscheiden: 1. de Atlantische
zone, die het gehele lage gebied tussen Vlaanderen
en Aquitanië omvat; de rivieren worden er vooral gevoed
door de neerslag en hebben een vrij regelmatig regime;
2. de bergzone,
gekenmerkt door een onregelmatig regime met vrij
beperkte verdamping en met de hoogste waterstanden in de
lente. In Alpen en Pyreneeën zet de hoogwaterstand zich
door tot in de zomer, ten gevolge van het smelten der
gletsjers; 3. de Middellandse-Zeezone,
gekenmerkt door een zeer onregelmatig regime (groot
debiet in de winterperiode, zeer lage zomerstanden); bij
aanhoudend onweer leidt dit dikwijls tot catastrofale
overstromingen. Door een reeks regularisatiewerken
tracht men dit gevaar thans te beperken.
1.4 Klimaat
Frankrijk vertoont sterke variaties in klimatologische omstandigheden, die
samenhangen met de naar het oosten afnemende invloed van
de Atlantische Oceaan, de invloed van de Middellandse
Zee in het zuidoosten en de aanwezigheid van gebergten.
Ten gevolge van de langzame verwarming in het voorjaar en de langzame
afkoeling in het najaar van het zeewater is nabij de
kust de temperatuur in het najaar vaak belangrijk hoger
dan in het voorjaar. Hoewel het grootste deel van
Frankrijk een gematigd klimaat heeft – Cfb volgens Köppen
(geen droog seizoen en meer dan vier maanden met een
temperatuur tussen 10 en 22 °C) – liggen de
waargenomen temperatuurextremen toch ver uiteen: Parijs
met een maximumtemperatuur van ca. 40 °C en een
absoluut minimum van -16 °C.
De meeste neerslag valt langs de westkust, op vele plaatsen meer dan 1000
mm per jaar, met een maximum in het najaar. De minste
neerslag valt in het zuidoosten: Avignon en Marseille,
met 600 mm per jaar, waarbij zich zowel in het voor- als
in het najaar een maximum vertoont naast een scherp
minimum in juli. Overigens wordt de hoeveelheid neerslag
voor een belangrijk deel bepaald door de aanwezigheid
van gebergten: Biarritz aan de voet van de Pyreneeën
met bijna 1500 mm per jaar en Annecy in de Alpen met
bijna 1300. Sneeuw van betekenis komt bijna uitsluitend
in het gebergte voor: in de Pyreneeën ligt op 2500 m
hoogte gedurende ruim 200 dagen per jaar een sneeuwdek.
Het zonneschijnpercentage neemt in het algemeen naar de
Middellandse-Zeekust toe, vooral gedurende de
zomermaanden.
De windrichting is overwegend westelijk met echter daarnaast een voorkeur
voor noordelijke richtingen. Tijdens noordelijke wind
komt in het Rhônedal de mistral tot ontwikkeling.
Andere lokale winden zijn de föhnachtige autan en de
koude noordelijke bise.
1.5 Plantengroei
De rijke en afwisselende flora (meer dan 4000 soorten hogere planten) en
vegetatie van Frankrijk kunnen in vier hoofdgebieden
worden verdeeld: Atlantisch, Midden-Europees, alpine en
mediterraan; vooral de eerste twee gaan zeer geleidelijk
in elkaar over. Beneden de boomgrens (in de Pyreneeën
op 2500 m, Franse Alpen 1900 m, Auvergne 1500 m, Vogezen
1100 m) was Frankrijk oorspronkelijk vrijwel geheel met
bos bedekt, thans voor ca. een vierde; grote wouden
vindt men nog in het Bekken van Parijs (Fontainebleau,
Compiègne), in Normandië, en bij Orléans. In vlakte
en heuvelland van het Atlantische en Midden-Europese
gebied bestaat het woud uit loofbos: eikenberkenbos op
armere gronden, eikenhaagbeukenbos op voedselrijke
gronden, beukenbos in de opgaande oude domaniale wouden,
elzen-iepen-essenbossen in de rivierdalen. Waar geen bos
meer is, vallen in het Atlantische gebied vooral de
heiden op, waarin gaspeldoornsoorten en rode dopheide
overwegen. De duinen met hun karakteristieke
plantengroei zijn vooral goed ontwikkeld in het noorden,
op Cotentin, in Charente-Maritime en in Les Landes (daar
veelal bebost met zeeden). Beroemd zijn de orchideeënrijke
kalkhellinggraslanden, door geheel Frankrijk verspreid.
In de gebergten vindt men, van laag naar hoog: gordels
van beukenwoud, beuken-sparrenwoud, fijnsparrenwoud
(eventueel met lork) en de alpine zone.
De mediterrane flora en vegetatie in het uiterste zuiden heeft een geheel
eigen karakter. Het oorspronkelijke steeneikenbos is
nagenoeg verdwenen en vervangen door maquis (altijdgroen
doornstruweel), garrigue (een heideachtige vegetatie met
o.a. dwergeik, lavendel en rozemarijn), olijfbossen,
wijngaarden en cultures van vijg en amandel, aan de Côte
d'Azur van sinaasappelen en citroenen.
1.6 Dierenwereld
De dierenwereld van Frankrijk sluit aan bij die van West-, Midden- en
Zuid-Europa. Alpine vormen treden op in de West-Alpen en
Pyreneeën; de kusten van Atlantische Oceaan en
Middellandse Zee hebben totaal verschillende fauna's,
vnl. vanwege de sterke temperatuurverschillen in zee.
Door de grote uitgestrektheid van het gebied treft men
een aantal verschillende elementen onder de dierenwereld
aan. De genetkat bereikt in Frankrijk zijn noordgrens;
de broedplaatsen van de flamingo in de Camargue (Rhônedelta)
zijn de noordelijkste in Europa en het
Middellandse-Zeegebied. Een ongebreidelde jacht op alle
mogelijke soorten van wild en vogels heeft bijgedragen
tot de verarming van de fauna; nationale parken en
reservaten zijn nog te gering in aantal om het
voortbestaan van talloze zeldzaam geworden soorten te
waarborgen.
2. Bevolking
2.1 Samenstelling en spreiding
Het inwonertal nam in de 19de en in begin 20ste eeuw zeer langzaam toe.
Tussen de beide wereldoorlogen kende men zelfs jaren met
een duidelijke bevolkingsvermindering. Na 1945 nam de
bevolking weer sterk toe, mede dankzij een krachtige
demografische politiek, de vooruitgang in de
gezondheidszorg en de uitbreiding van de sociale
voorzieningen. Vanaf het midden van de jaren zestig nam
de bevolkingsgroei sterk af. Sinds 1977 is er sprake van
een lichte toename. In 1992 was het geboortecijfer 13‰
en het sterftecijfer 9‰. De levensverwachting bij
geboorte was voor vrouwen 81 jaar en voor mannen ruim 73
jaar. Naast de natuurlijke bevolkingstoename is een
aanzienlijk deel van de toename toe te schrijven aan de
immigratie van buitenlanders (m.n. Algerijnen,
Portugezen, Italianen, Spanjaarden, vluchtelingen uit
Frans-Afrika en Marokkanen). Hun aantal maakte in 1990
6,3% van de totale bevolking uit; de meesten (85%) wonen
in Parijs en omstreken, in de regio Rhône-Alpes en op
Corsica.
Regionaal was de demografische groei zeer uiteenlopend. Noord-Frankrijk
vertoont traditioneel een veel sterkere natuurlijke
groei dan Zuid-Frankrijk. De gemiddelde
bevolkingsdichtheid bedroeg in 1994 106 inw. per km2,
maar de bevolking is zeer ongelijk verspreid. Naast
dunbevolkte, meestal centraal gelegen gebieden, zoals
het Massif Central, de plateaus van het Parijse Bekken,
Les Landes en het hooggebergte, zijn er dichtbevolkte
gebieden, die vrij periferisch gelegen zijn, zoals de
departementen Ville de Paris, Nord, Rhône, Val de Marne
en Hauts-de-Seine. Het betreft hetzij zones met
intensieve landbouw, hetzij, en vooral, industriële en
stedelijke zones. Driekwart van de bevolking woont in de
stad, m.n. in Parijs (ca. 20%). Het overwicht van Parijs
heeft een grote weerslag op de economie. Door de vorming
van ‘métropoles d'équilibre’ (Nantes, Lille, Nancy,
Strasbourg, Marseille, Bordeaux, Toulouse en Lyon) heeft
men getracht het evenwicht in Frankrijk te herstellen en
de groei van Parijs af te remmen.
2.2 Taal
Officiële taal is het Frans, daarnaast wordt door minderheden Bretons
gesproken, Occitaans (het zuiden), Baskisch (in de
westelijke Pyreneeën), Duits (Elzas-Lotharingen),
Nederlands (Frans Vlaanderen), Catalaans (Roussillon),
Italiaans (rond Nice), Corsicaans (op Corsica). Zie
voorts Franse taal.
2.3 Religie
De bevolking is voor ca. 80% rooms-katholiek, voor 4,5% islamitisch
(overwegend soennitisch), voor 1,5% protestant, voor
1,3% joods en voor 0,3% Armeens-christelijk. Sinds de
herroeping van het Edict van Nantes in 1685 door
Lodewijk XIV was het katholicisme
staatsgodsdienst. Sinds de scheiding van kerk en staat
in 1905 heeft de staat geen enkele bemoeienis meer met
de hiërarchie. De bisschoppen worden door Rome benoemd
(alleen voor die van Elzas en Lotharingen geldt, wegens
hun aansluiting bij Duitsland van 1870 tot 1918, een oud
concordaat). De Rooms-Katholieke Kerk heeft in Frankrijk
achttien kerkprovincies en in totaal 95 bisdommen.
Protestantisme. Na de Bartholomeüsnacht (1572) was de kracht van het protestantisme in
Frankrijk gebroken (zie hugenoten). Door de wet van 1802
werden de protestantse kerken erkend. De voornaamste zijn: de Église Réformée
de France, de Église de la Confession d'Augsburg
d'Alsace et de Lorraine, de Église évangélique luthérienne
en de Église réformée d'Alsace et de Lorraine. Sinds 1905 bestaat een federatie van
protestantse kerken (gereformeerden, lutheranen,
baptisten, methodisten, vrije kerken): de Fédération
protestante de France. Protestantse theologische
faculteiten voor de opleiding van predikanten zijn
gevestigd te Aix-en-Provence, Montpellier, Parijs en
Straatsburg; de laatste twee zijn interconfessionele
faculteiten. De invloed van de protestanten in Frankrijk
is relatief groot.
3. Bestuur en samenleving
3.1 Staatsinrichting
Volgens de grondwet van 1958 (aangevuld per referendum in 1962) is
Frankrijk een parlementaire republiek waarvan de door
het volk bij algemeen stemrecht rechtstreeks voor zeven
jaar gekozen president uitgebreide volmachten bezit. Hij
vaardigt de door het parlement of door het volk (in
geval van referendum) aangenomen wetten uit, tekent de
besluiten van de ministerraad, die hij voorzit, benoemt
de eerste-minister en kan in geval van nood het geheel
van de wetgevende en uitvoerende macht tot zich trekken
en de ontbinding der Nationale Vergadering uitspreken.
De regering, aangevoerd door de eerste-minister, wordt
op diens voorstel benoemd door de president. Zij bepaalt
en geeft uitvoering aan de algemene politiek van de
natie. Zij is verantwoording verschuldigd aan de
Nationale Vergadering.
De wetgevende macht wordt uitgeoefend door het parlement, dat uit twee
kamers bestaat: de rechtstreeks voor vijf jaar gekozen
Nationale Vergadering (Assemblée
nationale), die 577 leden telt (van wie 22 uit de
overzeese departementen en gebiedsdelen) en de niet
rechtstreeks (in hoofdzaak door de leden van de conseils
généraux – de departementale raden – en de
gemeenteraden) gekozen en met minder bevoegdheden
beklede senaat, die 321 leden telt (12
vertegenwoordigers van de Fransen in het buitenland en
13 voor de overzeese departementen en gebiedsdelen); de
leden hebben negen jaar zitting; om de drie jaar wordt
de senaat voor een derde vernieuwd. Stemrecht hebben
alle Franse staatsburgers vanaf 18 jaar. Om gekozen te
worden voor de Nationale Vergadering moet men minimaal
23 jaar zijn; voor de senaat is dat 35 jaar. Zie ook
Politieke organisatie.
3.2 Administratieve indeling
De Franse staat telt 22 regio's, die verdeeld zijn in 96 departementen.
Het land kent verder: vier overzeese departementen, de
‘Départements d'Outre-Mer’ (DOM): Frans Guyana,
Guadeloupe, Martinique en Réunion; drie overzeese
gebiedsdelen, de ‘Territoires d'Outre-Mer’ (TOM):
Frans Polynesië, de Wallis- en Futuna-eilanden en Nieuw
Caledonië; de twee overzeese ‘collectivités
territoriales’ Mayotte en St-Pierre-en-Miquelon en
enkele gebieden op de zuidpool, ‘Les Terres Australes
et Antarctiques Françaises (TAAF). De prefet,
die aan het hoofd van iedere regio en ieder departement staat,
is de vertegenwoordiger van de regering en van iedere
afzonderlijke minister. De departementen zijn verdeeld
in arrondissementen (325), met aan het hoofd een sous-prefet;
de arrondissementen zijn verdeeld in kantons (3714) en
deze op hun beurt in 36!433 gemeenten (90% van de
gemeenten telt minder dan 2000 inw.). De
arrondissementen en kantons hebben slechts
administratieve betekenis.
Frankrijk heeft vanouds een sterk gecentraliseerde bestuursvorm. Om het
bestuur beter te doen functioneren zijn tussen 1982 en
1988 verschillende decentralisatiewetten ingevoerd
teneinde een herverdeling van taken en bevoegdheden te
bewerkstelligen. De regio's hebben een kwaliteit van
‘collectivité territoriale’ gekregen:
publiekrechtelijke rechtspersonen met een uitgebreid
pakket eigen rechten en verplichtingen. Verder voorziet
de wet in de overdracht van executieve bevoegdheden van
de prefet de la région en de prefet
aan de voorzitters van resp. plaatselijk gekozen
regionale raden (conseils
régionaux) en departementale raden (conseils
généraux). De regio Corsica heeft sinds 1981 een
aparte status.
3.3 Lidmaatschap van internationale organisaties
Frankrijk is lid van de Verenigde Naties (en permanent lid van de
Veiligheidsraad) en een aantal van haar suborganisaties
(het hoofdkwartier van de onderwijsorganisatie van de
Verenigde Naties, UNESCO, is in Parijs gevestigd), de
EU, de Raad van Europa, de Organisatie voor Economische
Samenwerking en Ontwikkeling (OESO; hoofdkwartier in
Parijs), de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en
Handel (GATT) en de NAVO. In 1966 heeft Frankrijk de
beschikbaarstelling van zijn strijdkrachten aan het
geallieerd NAVO-commando beëindigd; wel bleef Frankrijk
politiek lid van de NAVO. Na de Koude Oorlog kwamen
gesprekken tussen Frankrijk en de NAVO op gang en werd
afgesproken dat het land betrokken zou worden in
besprekingen over de nieuwe doelstellingen van de NAVO.
3.4 Politieke organisatie; partijwezen; vakbeweging
Kamer- en presidentsverkiezingen voltrekken zich in twee ronden. Wanneer
de kandidaat in de eerste ronde meer dan 50% van de
stemmen in zijn kiesdistrict op zich weet te verenigen,
is hij direct gekozen. Slaagt hij daarin niet, dan volgt
een tweede ronde waarin een enkelvoudige meerderheid
voldoende is. Bij de presidentsverkiezingen kunnen
alleen twee kandidaten die de meeste stemmen hebben
behaald tijdens de eerste ronde, meedoen aan de tweede
ronde. Voorwaarde bij de parlementsverkiezingen is dat
de kandidaat in de eerste ronde ten minste 12,5% van de
stemmen heeft behaald.
De invoering van rechtstreekse presidentsverkiezingen heeft een
hergroepering van de grote politieke formaties en een
polarisatie van de politieke strijd tot gevolg gehad.
Van de talrijke partijen en
bewegingen zijn de belangrijkste ter linkerzijde de
Parti Socialiste (PS), de Parti Communiste Français (PCF)
en de Mouvement des Radicaux (MRG).
De PS, in 1969 ontstaan uit een samengaan van verschillende socialistische
partijen, staat een gematigd socialisme voor. Haar
ontwikkeling loopt voor een belangrijk deel samen met
die van oud-president Mitterrand.
De PCF, opgericht in 1920, kende haar bloeitijd tussen 1968, toen zij zich
van ‘Moskou’ afkeerde ten gunste van het zgn.
‘eurocommunisme’, en 1984 toen er door een breuk met
de PS een einde kwam aan haar
regeringsverantwoordelijkheid. In 1986 was 75% van haar
kiezers jonger dan 30 jaar. In 1987 ontstond een
splitsing binnen de partij tussen de
‘traditionalisten’ (onder leiding van Georges
Marchais) en degenen die modernisering van de partij
voorstonden (onder leiding van Pierre Juquin). Na de val
van de communistische regimes in Oost-Europa in 1989
kwam de partij onder grote druk te staan.
De MRG, in 1972 onder de naam Mouvement de la Gauche Radicale-Socialiste
afgesplitst van de Parti Républicain Radical et
Radical-Socialiste, hecht aan een humanistisch
socialisme.
De belangrijkste partijen ter rechterzijde zijn de
Rassemblement pour la République (RPR), de Parti Républicain
(PR) en het Centre des Démocrates Sociaux (CDS). De RPR is de eind 1976 door
Jacques René Chirac opgerichte opvolgster van de
gaullistische UDR en steunt vooral op de oudere
conservatieve kiezers. De PR (tot 1977 Républicains Indépendants)
werd opgericht door Valéry Giscard d’Estaing in 1966
en volgt een gematigder, meer pragmatische koers dan de
RPR. De CDS, ontstaan in 1976 uit een fusie van het
Centre Démocrate en het Centre Démocratie et Progrès,
draagt als bijnaam de ‘Unie van het midden’.
De centrumpartijen vormden begin 1978 de Union pour la Démocratie Française
(UDF), samengesteld uit de PR, het CDS en een deel van
de Parti Radicale Socialiste (PRS). Het Front National (FN)
van Jean-Marie Le Pen, opgericht in 1972, is een
extreem-rechtse politieke partij, die vooral sedert het
midden van de jaren tachtig een belangrijke politieke
machtsfactor is geworden. Zij behaalde 15% van de
stemmen bij de parlementsverkiezingen van 1995. Les
Verts (De Groenen), in 1984 ontstaan uit het samengaan
van de Confédération Écologiste en de Parti Écologiste,
staan een politiek voor die ecologie als uitgangspunt
heeft.
Slechts 10% van het werkende deel van de bevolking is aangesloten bij een vakbond.
De grootste vakbond is de Confédération Générale du Travail (CGT) met
855!000 leden. De Force Ouvrière splitste zich in
1947 af van de CGT. Haar leden (ca. 1 miljoen) zijn vnl.
socialisten en links-radicalen. De Force Ouvrière is de
meest gematigde van de grote vakbonden. De derde grote vakbond is de Confédération
Française Démocratique du Travail (CFDT), de sinds
1964 geseculariseerde voortzetting van de Confédération
Française des Travailleurs Chrétiens (CFTC; opgericht
in 1919), met 558!000 leden. Als kleinere verenigingen moeten nog de Fédération de l’Éducation
nationale met 395!000 leden worden genoemd (Vereniging
van leraren) en de christelijke kern van de zelfstandig
voortbestaande CFTC met 260!000 leden. Ook boeren en
leidinggevende functionarissen beschikken over eigen
organisaties.
4. Economie
4.1 Inleiding
De industriële ontwikkeling kwam in Frankrijk pas laat op gang en tot de
Tweede Wereldoorlog waren alle bedrijfstakken
ondergeschikt aan de landbouw. Een belangrijke wijziging
in de economische politiek na 1945 vormde de instelling
van een algemeen planbureau, waardoor de invloed van de
overheid sterk toenam. De door het planbureau opgestelde
plannen moeten door het parlement worden goedgekeurd en
dienen m.n. als kader voor het particuliere en publieke
investeringsbeleid. Zo werd in 1945 de nationalisatie
van de energiesector, de vier grote bankinstellingen, de
grote verzekeringsorganisaties en de automobielfabriek
Renault doorgevoerd. De Franse staat legde ook de hand
op het openbaar vervoer. De relatief geringe schade
tijdens de Tweede Wereldoorlog werd, mede dankzij de
Marshallhulp, snel overwonnen. De Franse staat voerde
een krachtige expansiepolitiek, al ging dit gepaard met
een stijgende inflatie en devaluatie van de franc. De
integratie in Europa (EGKS 1951, EEG 1957), de
planpolitiek waarin overheid, particulier bedrijfsleven
en vakbeweging nauw samenwerken en het fiscale beleid
dat investeringen aanmoedigt, leidden tezamen tot een
sterke groei van de industrie (m.n. de mijnbouw,
metaalverwerking, elektronica en petrochemische
industrie); de bedrijven, voor zover niet
genationaliseerd, bereikten door concentraties Europees
formaat. Sinds 1945 is de industriële productie snel
gestegen. Tussen 1970 en 1980 was er, ondanks de
teruggang in 1975 als gevolg van de internationale
recessie, sprake van een productiestijging van 33%. In
de jaren 1980–1982 stagneerde de groei. Evenals de
meeste industrielanden had Frankrijk in de jaren tachtig
te kampen met hoge inflatiepercentages, massale
werkloosheid en een dalende vraag. De nationalisaties
van 1982 (o.a. Matra, Saint-Gobain en Bull) moesten
Frankrijk de middelen verschaffen om een coherent
industriebeleid te voeren en om machtsconcentraties te
beperken. Sinds 1983 schommelde de productiestijging
tussen 1 en 2%, maar in 1988 vertoonde de
industrieproductie een stijging van 4,5%. Een
vijfjarenplan, opgesteld in 1986, beoogde 65
staatsbedrijven (waaronder in 1982 genationaliseerde
bedrijven) te privatiseren. Met de verkoop van
staatsbedrijven hoopte men de staatsschuld te
verminderen. Zowel stagnatie in de industrie als
herstructurering van genationaliseerde bedrijven leidde
tot een toename van de werkloosheid (in 1994: 12,3%).
Aan het eind van de jaren tachtig trad echter een
onverwacht gunstige conjunctuurontwikkeling op,
veroorzaakt door een goede financieringspolitiek,
dalende olieprijzen en belastingverlichting. De
economische groei bedroeg van 1990 tot 1994 0,8%, in
1995 2,8% en de inflatie daalde in die periode tot 2,9%,
in 1996 tot 1,6%.
De verdeling van de beroepsbevolking over de verschillende economische
sectoren (1994) is: landbouw: 5%; industrie: 27% en
dienstensector: 68%. Vrouwen maken (1987) 43, 3% van de
beroepsbevolking uit, buitenlandse werknemers 6,3%.
4.2 Landbouw, veehouderij, bosbouw en visserij
Frankrijk bezit met 320!000 km2
cultuurgrond (ca. 60% van de totale landoppervlakte) het
grootste landbouwareaal
in de EU (eenderde van alle landbouwgrond in de EU).
Hiervan is 58% akkerland, ruim 37% blijvend grasland en
bijna 5% is bedekt met blijvende gewassen (fruit,
olijven, wijngaarden). Teeltverbetering, uitbreiding van
de bedrijfsgrootte (o.a. door herverkaveling en coöperaties)
en mechanisatie vormen een belangrijke bijdrage tot de
productiestijging per ha. Het streven is de gemiddelde
bedrijfsgrootte (ca. 30 ha in 1988) verder op te voeren
door uitkoop van kleine bedrijfjes (in 1990 waren er
924!000 boerenbedrijven, 600!000 minder dan in 1970).
Ruim de helft van alle agrarische bedrijven wordt in
eigendom bewerkt.
De vruchtbaarste landbouwzones komen voor op de leemplateaus van het
Bekken van Parijs en in het noorden (tarwe,
suikerbieten, koolzaad, vlas). Ook de Elzas, de grote
riviervalleien en de geïrrigeerde zones van het zuiden
zijn rijke landbouwgebieden. Hop wordt vooral in de
Elzas en in Frans-Vlaanderen geteeld. Cultuur van haver
en gerst is meer verspreid; behalve in de hierboven
genoemde gebieden is zij ook elders in Noord-Frankrijk
belangrijk (o.a. plaatselijk in Bretagne). Maïs wordt
verbouwd in Languedoc en Aquitanië, rijst (sterk
teruggelopen in de jaren zeventig) in de Camargue.
Tuinbouw en wijngaarden zijn vooral gelokaliseerd in de
valleien van Loire, Garonne, Rhône en langs de
Middellandse-Zeekust. Tuinbouw komt bovendien ook voor
rond Parijs, in de kuststreken van Bretagne, in de Elzas
en Frans-Vlaanderen. De Franse wijnverbouw omvat
hoogwaardige wijnen (zie Franse wijnen). Frankrijk neemt
een belangrijke plaats in op de wereldranglijst van
producenten van tarwe (zesde), gerst (vijfde), suiker
(zesde) en wijn (eerste).
Veehouderij. Frankrijk is de grootste vlees- en zuivelproducent in Europa.
Veehouderij is verspreid over het hele land. Runderen
vindt men vooral in de Atlantische zone: Normandië,
Bretagne, Picardië en Frans-Vlaanderen. Ook de
randgebieden van het Massif Central zijn belangrijke
rundveestreken. De schapenhouderij, die vooral in het
Massif Central, rond de Rhônemonding en in de Pyreneeën
beoefend wordt, is belangrijk èn voor het vlees èn
voor de kaas.
Algemeen is er ook in de veehouderij een sterke tendens tot mechanisatie,
uitbreiding der landbouwcoöperaties en herverkaveling,
terwijl grootscheepse irrigatiewerken (o.a. de Languedoc,
Basse Durance, Rhônevallei) de landbouw van het
mediterrane gebied hervormen.
Bosbouw. De oppervlakte bos neemt geleidelijk toe door bebossing van woeste
gronden, verlaten akkers en berggebieden en omvatte in
1995 27% van het totale landoppervlak. Tevens wordt het
bestaande bosbestand verbeterd. Ca. B van het bos
bestaat uit loofbomen. De aanplant van naaldbomen wordt
snel uitgebreid wegens het hoger rendement. Een derde
van de beboste grond staat onder toezicht van de staat;
de rest is in handen van particulieren en is als gevolg
van verspreide ligging niet geschikt voor exploitatie.
Er werken 550!000 mensen in de bosbouw en de
houtindustrie.
Visserij. Ondanks de uitgestrekte kust vormt de visserij geen belangrijke sector
van de economie. Europese richtlijnen (vangstquota)
verhinderen een uitbreiding. Visserij geeft slechts aan
0, 1% van de totale beroepsbevolking werk. Zij omvat
naast kustvisvangst ook, maar in steeds mindere mate,
diepzeevangsten. De voornaamste havens zijn voor de
Noordzee en Het Kanaal: Boulogne, Fécamp, Dieppe; voor
Bretagne: Concarneau, Lorient, Douarnenez-Camaret; voor
de Golf van Biskaje: La Rochelle, Bayonne; voor de
Middellandse Zee: Sète. De oesterkwekerijen kennen een
sterke uitbreiding, o.a. Arcachon, Marennes, Morbihan,
Bouzigues. Mosselen in o.a. de
Charente-Maritime (Baie de l'Aiguillon).
4.3 Mijnbouw en energievoorziening
De kolenmijnen zijn sinds 1946 genationaliseerd en daarna sterk
gemoderniseerd. Meer dan 60% van de kolen wordt geleverd
door het Bekken van Lotharingen, ca. een kwart door de
kleine bekkens in Zuid- en Midden-Frankrijk (vooral rond
het Massif Central) en de rest door het Bekken van het
Noorden en Pas de Calais (voorheen het belangrijkste
bekken). Als gevolg van het verminderde rendement en de
ontwikkelingen op het gebied van kernenergie wordt de
productie geleidelijk afgebouwd (in 1976 nog 22 miljoen
ton, in 1987 16 miljoen ton; voor 1990 geschat op 11
miljoen ton). Daarnaast wordt jaarlijks ca. 15 miljoen
ton ingevoerd.
De (kleine) aardolieproductie is grotendeels afkomstig van de velden van
Parentis-en-Born in Les Landes, voorts uit het Bekken
van Parijs. De productie van aardgas (Lacq) stagneert na
een jarenlange sterke stijging. Een daling wordt
voorzien, indien op korte termijn geen nieuwe gasbellen
worden ontdekt. Het gas wordt vnl. verdeeld in
Zuidwest-Frankrijk.
Frankrijk is lange tijd de belangrijkste ijzerproducent van Europa
geweest, vooral dankzij de ijzerertsformaties in
Lotharingen. De productie is echter sterk gedaald (1970:
ca. 56 miljoen ton, 1993: 3,6 miljoen ton) als gevolg
van een tekort aan afzetmarkten en concurrentie van veel
rijkere ijzerertsformaties in overzeese gebieden en in
Zweden. Naast een geringe productie van zinkerts en
looderts (Pyreneeën, Alpen), uraanerts (Massif Central
en Bretagne) en andere minder belangrijke grondstoffen
heeft Frankrijk een belangrijke productie van
aluminiumerts in de Provence (Frankrijk is na Duitsland
de belangrijkste producent van aluminium in de EEG),
kaliumzouten in de Elzas en klipzout (Lotharingen,
Franche-Comté).
Energievoorziening. De elektriciteitsproductie is sterk gestegen. Nog maar 10% van de
elektrische energie is afkomstig van thermische
centrales, ca. 20% van waterkrachtcentrales en ruim 70%
van kerncentrales. Voor de levering van aardolie is
Frankrijk sterk afhankelijk van het Midden-Oosten, voor
aardgas van Algerije (36%) en Nederland (14%), voor
kolen van Duitsland, Polen en Zuid-Afrika. Om in de
toekomst zoveel mogelijk zelfstandig in zijn
energiebehoefte te kunnen voorzien heeft Frankrijk de
ontwikkeling van kernenergie een hoge prioriteit gegeven
en is door een versneld uitgevoerd energieprogramma het
gebruik van kernenergie snel toegenomen.
4.4 Industrie
Na een fase van exceptionele groei in de jaren zestig (verdubbeling van de
productie) kreeg de industrie, evenals andere sectoren
van de economie, te lijden van de crisis. Niettemin
steeg de industriële productie mede door de sterk
gepropageerde schaalvergroting. De belangrijkste
industriegebieden liggen in het noordoosten, ten oosten
van de lijn Le Havre–Marseille. Het Parijse
stadsgewest is een groot centrum van de verwerkende
industrie (auto's, elektrisch en elektronisch materiaal,
farmaceutische en fotografische producten). Naast de
researchlaboratoria, de ‘haute couture’, de
‘articles de Paris’ (sieraden, juwelen, parfums) en
de uitgeverijen zijn ook de voedingsmiddelen- en de
verwerkende metaal- en de meubelindustrie er bijzonder
goed vertegenwoordigd. De industriegebieden van het
noorden en noordoosten (Elzas-Lotharingen) zijn de
belangrijkste centra van zware metallurgie, tevens van
chemische industrie. De textielindustrie heeft er een
oude traditie.
Als derde groot Frans industriegebied fungeert rond Lyon het gebied van Rhône
en Alpen. Het oude textielgebied rond Lyon en de oude
steenkool- en metallurgiekernen van St-Étienne en Le
Creusot kennen een nieuwe ontwikkeling dankzij
uitbreiding van de metaalconstructie en (organische)
chemische industrie en vooral de goedkope
waterkrachtenergie, die in de Alpen de stoot gaf tot
moderne elektrochemische en elektrometallurgische
bedrijven.
Secundaire industriezones zijn die aan de Middellandse-Zeekust, waar
zoutpannen, bauxietmijnen, het aardoliecomplex van Berre
en de oude vetstofverwerkende industrie de basis vormen
voor een moderne chemische en aluminiumindustrie; er is
voorts metaalconstructie, scheepsbouw en
meststofproductie. Zuidwest-Aquitanië is een groeiend
industriegebied dankzij de elektrochemische en
metallurgische bedrijven in de Pyreneeën, de chemische
bedrijven van Lacq en de vliegtuigbouw van Toulouse. In
Bretagne zijn naast de oude voedingsnijverheid en
scheepsbouw ook de auto-industrie en de elektronische
constructie sterk uitgebreid. De Franse regering tracht
de decentralisatie te bevorderen.
In 1984 is een hervormingsplan voor de Franse industrie afgekondigd. Dit
plan voorziet o.a. in subsidiemaatregelen voor bedrijven
die zich in stimuleringsgebieden vestigen en
arbeidsplaatsen creëren.
Frankrijk telt talrijke textielgebieden. Het noorden is het belangrijkste
centrum voor de wol- en vlasweefsels, maar is ook een
belangrijke katoenproducent. De Vogezen (Mulhouse) en de
streek van de Beneden-Seine (Rouen) zijn vooral
gespecialiseerd in katoen. Lyon is het grote
productiegebied van de synthetische en kunstmatige
vezelverwerking. In de Languedoc is Mazamet een
gespecialiseerde producent van wollen weefsels. De
textielindustrie is overigens in de jaren zeventig
verder achteruitgegaan. Confectie is naast Parijs en het
noorden verspreid over alle grote centra en vormt een
belangrijk uitvoerproduct. De uiterst gediversifieerde
metaalconstructie omvat vooral productie van auto's
(Parijs c.a., Bretagne, Lyon, Noord-Jura en sinds de
jaren tachtig, in het kader van de industriële
herstructurering, in het noorden en in Lotharingen om
zodoende nieuwe arbeidsplaatsen te creëren na het
verval van de ertswinning), scheepsbouw (St-Nazaire,
Bordeaux, Le Havre, Duinkerke, omgeving Marseille),
vliegtuigbouw (Parijs, Toulouse, Nice), elektrisch
materiaal, o.m. Compagnie Générale d’Électricité
(te Parijs [60%], Lyon, Grenoble). Le Creusot is het
centrum van de belangrijke wapenindustrie.
Voedingsmiddelenindustrie is sterk verspreid; naast de
conservenfabrieken van Bretagne en de biscuiterieën van
Nantes is Parijs het belangrijkste centrum.
4.5 Handel
Frankrijk is na Duitsland de grootste exporteur van West-Europa (4de op de
wereldranglijst). Handelsbetrekkingen worden
hoofdzakelijk met de andere EG-landen onderhouden (ruim
50% van de uitvoer en ruim 49% van de invoer in 1988),
alsmede met de geassocieerde staten. De belangrijkste
handelspartners zijn Duitsland, België en Luxemburg,
Italië, Nederland en de Verenigde Staten.
De export bestaat vooral uit agrarische producten (wijn, graan, boter en
kaas), halffabrikaten, machines, apparaten en auto's. De
auto-industrie ondervindt echter sterke concurrentie van
de Japanse auto-industrie. Belangrijke importgoederen
zijn grondstoffen en energiebronnen, halffabrikaten,
industriegoederen en agrarische producten (vooral
tropische producten, katoen en wol). Frankrijk kampte
tot 1992 met een tekort op de handelsbalans, vnl. door
de slechte concurrentiepositie die de industrie van het
land inneemt ten opzichte van die in andere, westerse
landen. Het overschot op de handelsbalans bedraagt de
laatste jaren zo’n $ 5 miljard.
4.6 Bankwezen
De centrale bank is de Banque de France, opgericht in 1800. Meer dan in
enig ander land heeft deze zich ontwikkeld tot ‘bank
der banken’, in die zin dat door het overige bankwezen
in belangrijke mate beroep op de herdiscontofaciliteiten
wordt gedaan. Frankrijk is de bakermat van de ‘Crédit
mobilier’ (opgericht in 1852). Door het verstrekken
van lange-termijnleningen en ook kapitaaldeelneming werd
de financiering van de industrie vergemakkelijkt.
Ofschoon de Crédit mobilier ten slotte van het toneel
verdwenen is, heeft het principe echter ook bij andere
nadien opgerichte grote banken een belangrijke rol
gespeeld.
In 1945 werden, naast de Banque de France, ook de vier
belangrijkste depositobanken genationaliseerd (Crédit
Lyonais, Société Général, Comptoir National
d'Escompte de Paris en Banque Nationale pour le Commerce
et l'Industrie). De
beide laatste banken fuseerden in 1966 onder de naam
Banque Nationale de Paris tot de grootste depositobank
van het land. De belangrijkste kredietinstelling is de
onder het ministerie van Landbouw vallende Crédit
agricole, die vnl. de financiering van landbouw en
regionale economie regelt. In 1982 werden nog eens 32
banken genationaliseerd, wat 95% van alle deposito's
onder staatstoezicht bracht. Tussen 1986 en 1988 werd
een aantal grote banken (o.a. de Société Générale en
de Crédit agricole) geprivatiseerd. Voor het algemene
toezicht is de Commission de Contrôle des Banques,
onder leiding van de minister van Financiën en de
gouverneurs van de Banque de France, verantwoordelijk.
Het kredietbeleid – belangrijk bij staatsinvesteringen
– wordt door de Conseil National du Crédit bepaald.
4.7 Ontwikkelingssamenwerking
De Franse ontwikkelingssamenwerking is grotendeels gericht op de
voormalige koloniën en op de overzeese gebiedsdelen en
departementen. De particuliere hulpverlening is
traditioneel gericht op de Afrikaanse landen van de
franc-zone. De hulp vindt plaats in de vorm van giften,
leningen en het verstrekken van technici en
onderwijskundigen.
4.8 Verkeer en toerisme
Frankrijk bezit een goed uitgebouwd verkeersnet, dat wat spoorwegen en
wegen betreft radiaal naar Parijs gericht is. Het wegennet omvat 829!000 km, waarvan ca. 7400 km autosnelweg en 29!000
km hoofd- en nationale wegen. Het spoorwegnet
omvat ca. 35!000 km spoor en is vooral in
Noord-Frankrijk vrij dicht. Meer dan 80% van de lijnen
is geëlektrificeerd. Sinds 1981 rijdt de supersnelle
TGV-trein (Train à Grande Vitesse) die steden als Lyon,
Bordeaux en Nice, maar ook Brussel en Amsterdam op korte
afstand van Parijs brengt. Er zijn uitbreidingen
voorzien via Straatsburg naar Duitsland en naar Spanje
en Italië. De binnenvaart
beschikt over een net van 8600 km waterwegen. Het
grootste deel van dit net is echter slechts geschikt
voor schepen met kleine tonnemaat en is praktisch buiten
gebruik. Een druk verkeer en vervoer kennen echter de
Seine, de gekanaliseerde Rijn en de Moezel, de meeste
kanalen van Noordoost-Frankrijk en het in 1988
gerealiseerde Rhône–Rijnkanaal, dat Rotterdam met de
Middellandse Zee verbindt. Verschillende nieuwe
waterwegen zijn in aanbouw, o.a. Seine–Noord-Oost, die
Parijs met Lille en de Moezel moet verbinden, en
Middellandse Zee–Rijn, die een hoge prioriteit heeft.
De belangrijkste binnenhavens zijn Parijs, Rouen en
Straatsburg. De handelsvloot
is voor een belangrijk deel staatsbezit. Van de vele
zeehavens zijn Le Havre, Marseille, Duinkerken en
Nantes-St.-Nazaire de belangrijkste. Luchtverkeer.
Air France, voor 70% staatseigendom, is de grootste
luchtvaartmaatschappij. UTA richt de meeste van zijn
vluchten op Afrika en Air Inter verzorgt het binnenlands
vliegverkeer. De belangrijkste luchthavens zijn: Charles
de Gaulle, Orly en Le Bourget (gesloten voor
internationaal verkeer) bij Parijs en de luchthavens van
Nice, Lyon en Marseille.
Toerisme vormt een belangrijke factor in de economie. Ieder jaar bezoeken ca. 61
miljoen buitenlanders Frankrijk. Na Duitsers maken
Belgen, Nederlanders en Engelsen het grootste deel van
het totale aantal toeristen uit.
5. Geschiedenis
5.1 Prehistorie
De oudste sporen van de mens vormen enkele groepen pebble tools uit het
begin van het Pleistoceen, te dateren tussen 1 miljoen
en 400!000 jaar geleden. De oudste menselijke schedel is
die van Tautavel/Arago (Aude), ongeveer 400!000 jaar
oud. Frankrijk is bijzonder rijk aan overblijfselen uit
het paleolithicum en is de bakermat van de studie van
die periode. De klassieke opeenvolging van culturen is
als volgt: na de pebble tools komen de vuistbijlculturen
(Abbevillien, Acheuléen en Moustérien) met hun diverse
facies. De vondsten stammen uit rivierterrassen en de
onderste lagen van grotvullingen. Van de
laat-paleolithische klingenculturen (resp. Aurignacien/Perigordien,
Solutréen en Magdalénien) zijn naast de afvallagen in
grotten en abris ook kampplaatsen in de openlucht
teruggevonden. De rijkdom aan grotschilderingen en
graveringen en de vele, vaak kunstig gesneden, benen
werktuigen (vooral in Dordogne) geven het Franse
laat-paleolithicum een unieke plaats in de geschiedenis
van de mens. Deze artistieke bloeiperiode ging tijdens
het Azilien (8500 v.C.) verloren.
Na de gelijktijdige mesolithische culturen Sauveterrien (Zuid-Frankrijk)
en Tardenoisien (Noord-Frankrijk), gekenmerkt door het
algemeen voorkomen van microlithen, volgt de introductie
van akkerbouw en veeteelt langs twee wegen. Ten eerste
omstreeks 5500 v.C. via processen van geleidelijke
cultuuroverdracht langs de Middellandse-Zeekust (o.a.
Cardiumcultuur) en voorts omstreeks 4800 v.C.
vermoedelijk als kolonisatie vanuit het Rijnland, via
het Moezeldal naar het Bekken van Parijs (bandkeramiek).
Het neolithicum kende een groot aantal kleine, regionale
groepen, met alleen het Chasséen als grote, vrijwel het
gehele land omvattende eenheid, tussen 4200 en 3200 v.C.
Megalieten werden vooral langs de Atlantische kust
gebouwd, m.n. in Bretagne, waar de oudste ca. 4800 v.C.
zijn gedateerd. Naast de dolmens en allées couvertes
zijn er tal van menhirs bekend en enkele enorme,
veelvoudige rijen van dergelijke stenen (alignements) in
de omgeving van Carnac.
In de bronstijd ontstond in Bretagne een centrum van bronsindustrie en
-handel. De urnenveldencultuur breidde zich in de late
bronstijd geleidelijk vanuit het Rijnland over geheel
Frankrijk uit. De ijzertijd omvat de Hallstatt-
(750–450 v.C.) en de La Tène-cultuur (450–50 v.C.).
Van groot belang in deze periode was de stichting van de
Griekse kolonie Massilia (Marseille), welke het Rhônedal
in (handels)contact bracht met de klassieke wereld. In
de hoogteversterking van Mont-Lassois en vooral het
rijke vrouwengraf van Vix (bij Châtillon-sur-Seine)
demonstreren Attisch import-aardewerk en bronzen
tafelgerei deze betrekkingen. De ontwikkeling van de La
Tène-kunst en de steensculptuur in Zuid-Frankrijk is
mede op deze contacten terug te voeren. In de La Tène-periode
kwam in Noord-Frankrijk de Marne-cultuur tot bloei. Een
groot aantal zgn. vorstengraven in het Bekken van Parijs
en Lotharingen wordt gekenmerkt door de bijgifte van
bronzen vaatwerk (wijnkannen uit Etrurië) en zelfs
complete (pronk)wagens. Deze rijke graven wijzen op het
bestaan van een sociale elite in een maatschappij met
feodale trekken. Met de Gallische oorlogen van Caesar
(58–51 v.C.) en zijn inlijving van Gallia bij het
Romeinse Rijk eindigt de prehistorie.
5.2 Middeleeuwen
Besloeg het grondgebied van het huidige Frankrijk in de oudheid de
Romeinse provincie Gallia, later maakte het deel uit van
het Frankische Rijk. Na het Verdrag van Verdun (843)
kwam het gebied ten westen van Schelde, Maas, Saône en
Rhône onder Karel de Kale (840–877). Binnen dit
gebied maakten diverse territoriale vorsten zich los van
het weinig effectieve koninklijke gezag van diens
opvolgers. Onder Karel III de Dikke (884–888) werd
tijdelijk het Frankische eenheidsrijk hersteld, maar in
887 werd Karel afgezet en evolueerden het West- en het
Oost-Frankischee rijk definitief tot wat Frankrijk en
Duitsland mogen worden genoemd.
Nadat Odo (888–898) het rijk krachtig tegen de Noormannen had verdedigd,
sloot Karel III de Eenvoudige (898–929) een akkoord te
St-Clair-sur-Epte (911) met hun leider Rollo, waardoor
deze zich tot Normandië zou beperken. Robert I
(922–923), Rudolf van Bourgondië (923–936) en
Lodewijk IV (936–954) dienden al hun energie te
besteden aan de strijd tegen de grote vazallen. Op het
einde van de 9de en het begin van de 10de eeuw
ontstonden als gevolg van het feodale stelsel een aantal
territoriale vorstendommen, waaronder Vlaanderen en
Normandië. Pogingen van Lotharius (954–986) om het
koninklijk domein met Lotharingen uit te breiden
mislukten (978). Met Lodewijk V (986–987) stierf het
Karolingische Huis uit. Dank zij Duitse steun werd toen
Hugo Capet (987–996) tot koning gekozen en ving de
dynastie der Capetingenaan.
De grootste verdienste van Hugo Capet en zijn opvolgers ligt in het feit
dat zij de monarchie vrijwel erfelijk wisten te maken.
Ten zuiden van de Loire was hun gezag echter geheel
afwezig en ten noorden ervan steunde het grotendeels op
de trouw van enkele bisschoppen. Onder de eerste grote
Capetinger Lodewijk VI de Dikke (1108–1137) kon de
koning voor het eerst de grote vazallen tot de orde
roepen en zelfs in hun interne aangelegenheden
tussenbeide komen. Hij wist met succes de territoriale
vorsten in te zetten tegen een invasie van de Duitse
keizer (1124). Zijn zoon Lodewijk VII (1137–1180)
slaagde erin, na zijn huwelijk met Eleonora van Aquitanië,
zijn invloed tot de Pyreneeën uit te breiden. In 1152
liet hij zich van Eleonora scheiden; deze huwde spoedig
de machtige Hendrik Plantagenet, die aldus
Zuid-Frankrijk kon toevoegen aan zijn machtssfeer, die
reeds Normandië, Anjou, Maine en Touraine omvatte. In
1154 werd Hendrik koning van Engeland (Hendrik II): zo
ontstond een rijk dat een sterke bedreiging vormde voor
de uitbouw van het Franse koninkrijk. Filips II August
(1180–1223) breidde het kroondomein aanzienlijk uit,
o.m. met Anjou, Artesië, Maine, Normandië, Poitou,
Touraine en Vermandois. Filips’ overwinning te
Bouvines (1214) op de Engels-Duits-Vlaamse coalitie
bevestigde zijn prestige op binnen- en buitenlands
gebied. Voortaan achtte de koning het niet meer nodig
zijn opvolger reeds vóór zijn dood te laten kronen. Na
de korte regering van Lodewijk VIII (1223–1226) nam
zijn kordate weduwe Blanche van Castilië het
regentschap waar voor haar minderjarige zoon Lodewijk IX
de Heilige (1226–1270) en verwierf in 1229 een deel
van Languedoc. Lodewijk IX voltooide de bestuurlijke
organisatie van Filips met het kader van baljuws en
seneschalken. Onder Filips III (1270–1285) werd het
kroondomein nog met Toulouse (1271) uitgebreid. Met
Filips IV de Schone (1285–1314) nam het koningschap
een absolutistisch karakter aan. Ondanks optreden tegen
de Engelse koning bleef Guyenne aan Engeland. Het
langdurige conflict met Rome liep uit op de benoeming
van een aan de koning onderworpen paus, Clemens V
(1305), die zich in Avignon vestigde. Drie zonen van
Filips IV hebben hun vader achtereenvolgens opgevolgd:
Lodewijk X (1314–1316), Filips V (1316–1322) en
Karel IV (1322–1328), de laatste uit de rechtstreekse
linie der Capetingen.
Aan de macht kwam Filips VI, zoon van Karel van Valois (1328–1350). Ook
de Engelse koning, Eduard III, maakte aanspraken op de
Franse kroon. Dit leidde tot een lang Frans-Engels
conflict: de Honderdjarige Oorlog. Veel successen
behaalden Filips VI en zijn opvolger Jan II
(1350–1364) in die strijd niet. Franse nederlagen
volgden elkaar op en interne moeilijkheden putten de
Franse reserves uit. Karel, zoon van Jan II (de latere
Karel V), sloot, als regent voor zijn gevangen vader, de
Vrede van Brétigny (1360), waardoor Aquitanië,
Ponthieu en Calais aan de Engelse vorst in volle
soevereiniteit werden afgestaan. Daarentegen werd
Bourgondië verworven (1361). Onder Karel V
(1364–1380) wist Frankrijk zich ten dele te
herstellen. Toen Karel VI (1380–1422) in 1392
krankzinnig werd, werd hem een regentenraad toegevoegd,
waarin o.m. de hertogen van Bourgondië, Anjou en Orléans
zitting hadden. De rivaliteit spitste zich toe tussen
Jan zonder Vrees en Lodewijk van Orléans (de Bourgondiërs
en de Armagnacs). De Engelse koning maakte van deze
tweespalt gebruik om Frankrijk binnen te vallen en te
verslaan bij Azincourt (1415). De Bourgondiërs
schaarden zich na de moord op Jan zonder Vrees (1419)
trouwens aan de zijde van de Engelsen. Een ommekeer in
de strijd bracht het succesvol optreden van Jeanne d'Arc,
die echter onvoldoende steun ontving van de apathische
koning Karel VII (1422–1461). De machtsverhoudingen
veranderden, toen in 1435 de Bourgondiër Filips de
Goede opnieuw de Franse zijde koos. Uiteindelijk slaagde
Karel VII erin Normandië (1449–1450) en Guyenne
(1451–1453) definitief aan de Engelsen te ontnemen,
hetgeen een eind maakte aan de Honderdjarige Oorlog.
Absolutistische trekken werden duidelijk onder Lodewijk XI (1461–1483),
ondanks de dreiging van adelsopstanden (de Guerre du
Bien Public, 1465), gesteund door de Bourgondische
hertog, Karel de Stoute (1433–1477), die zelfs de
Engelse vorst tegen de Franse in het gelid wist te
brengen. Uiteindelijk won de sluwe Lodewijk XI het pleit
door geheime steun en uitkoping van Karels tegenstanders
in Luik en Zwitserland. Na Karels dood werden diens
landen Bourgondië en Picardië aan de kroon getrokken,
in 1481 ook Anjou, door het uitsterven van dat
vorstenhuis. Karel VIII (1483–1498) verwierf Bretagne
als gevolg van zijn huwelijk met Anna van Bretagne
(1491).
5.3 De 16de eeuw
De tegenstelling Valois-Bourgondië, uitgegroeid tot een strijd tussen
Valois en Habsburg, woedde niet slechts in de
Nederlanden, maar sinds 1494 ook in Italië om Napels en
Milaan. De Italiaanse oorlogen waren slechts de inzet en
een onderdeel van de strijd die vooral door Frans I
(1515–1547) werd geleverd tegen de Habsburgse
omsingeling. Bij de Vrede van Cateau-Cambrésis (1559)
gaf Frankrijk Italië, Vlaanderen en Artesië prijs,
maar het lijfde Metz, Toul en Verdun, alsmede Calais in.
Sinds 1562 werd het land verscheurd door de religieuze
en politieke partijstrijd tussen de hugenoten, geleid
door de Bourbons, en de katholieken onder de Guises,
waartussen de zwakke kroon trachtte te schipperen. Na de
moorden op hertog Hendrik de Guise (1588) en op koning
Hendrik III (1589) kwam de troon toe aan de Bourbonse
hugenoot, Hendrik van Navarra. Door zijn overgang tot
het katholicisme nam deze als Hendrik IV (1589–1610)
de katholieke Liga de wind uit de zeilen en in 1598
(Verdrag van Vervins) wist hij met Spanje, dat openlijk
zijn tegenstanders had gesteund, vrede te sluiten.
Hetzelfde jaar verleende hij godsdienstvrijheid aan de
hugenoten (Edict van Nantes) en ging zich, bijgestaan
door minister Sully, toeleggen op het economisch herstel
van het land.
5.4 De absolute monarchie
Aan de hof- en adelsintriges tijdens het regentschap van Maria de Médicis
(1610–1617) en de eerste jaren van het persoonlijk
bewind van Lodewijk XIII (1610–1643) maakte het
krachtdadig beleid van minister Richelieu (1624–1642)
een einde. De hugenoten werden in 1628 als politieke
macht uitgeschakeld; de adel en de parlementen verloren
hun invloed en na 1614 kwamen de Staten-Generaal niet
meer bijeen. Om de Habsburgers te vernederen, aarzelde
de kardinaal-minister niet in de Dertigjarige Oorlog in
te grijpen aan de zijde van de protestantse mogendheden.
Zijn opvolger Mazarin (1642–1661) kon daardoor bij de
Vrede van Westfalen (1648) de Franse oostgrens afronden
met een goed deel van de Elzas. Het neerslaan van het
heftig verzet van de adel en de parlementen, de zgn.
Frondes van 1648 tot 1653, opende definitief de weg voor
de absolute monarchie. De strijd tegen de Spaanse
Habsburgers kon daarna met kracht worden doorgevoerd.
Door de Vrede van de Pyreneeën (1659) moesten zij
Artesië, een strook van Henegouwen en Roussillon
afstaan. Het Spaanse huwelijk van Lodewijk XIV
(1643–1715) opende zelfs vooruitzichten op de troon
van Spanje. Frankrijk scheen meester van Europa en de
koning was meester in Frankrijk. De eens zo rumoerige
adel verdrong zich aan het schitterende hof van de
Zonnekoning te Versailles of diende in het door Le
Tellier en Louvois gereorganiseerde leger. Minister
Colbert (1662–1683) bevorderde krachtig de industrie,
de handel en de overzeese kolonisatie, en in het
bijzonder de opbouw van een krachtige zeemacht, maar
zijn mercantilisme verwaarloosde de landbouw. De
herroeping van het Edict van Nantes (1685) had, door de
massale emigratie van de hugenoten die erop volgde, de
economie (met name de industrie) een zware slag
toegebracht. De Devolutie-oorlog (1665–1669) en de
Hollandse Oorlog (1672–1678) verschaften Lodewijk, ten
koste van Spanje, Franche-Comté en talrijke grenssteden
in de Zuidelijke Nederlanden. In vredestijd liet hij,
ten dele op grond van de interpretatie van de
vredesverdragen door zijn eigen Chambres de Réunion, de
rest van de Elzas en Luxemburg bezetten. De Europese
coalities, georganiseerd door de Hollandse stadhouder
Willem III, sinds 1688 ook koning van Engeland, hebben
in de Negenjarige Oorlog (1688–1697) en de Spaanse
Successie-oorlog (1701–1714) Lodewijks plannen
gedwarsboomd en het Europese evenwicht gehandhaafd.
Het lichtzinnig beleid van de regent, Filips van Orléans (1715–1723),
en van Lodewijk XV (1715–1774) zelf heeft het regime
diep geschokt. Het gedeeltelijk staatsbankroet (1720)
ten gevolge van de financiële manipulaties van Law
droeg daar veel toe bij. Na de dood van minister Fleury
(1743) regeerde Lodewijk XV persoonlijk, maar liet zich
leiden door gunstelingen of vrouwen (Madame de Pompadour).
De militaire successen in de Oostenrijkse
Successie-oorlog (1740–1748) wierpen geen vruchten af.
In de Zevenjarige Oorlog (1756–1763), die Frankrijk
aan de zijde van zijn oude vijand Oostenrijk voerde,
ging de suprematie ter zee en in de koloniale wereld
voorgoed op Engeland over. Het Bourbonse familieverdrag
met Spanje, Napels en Parma (1761), door minister
Choiseul in het leven geroepen, kon niet verhinderen dat
Canada, Louisiana en de Franse invloed in Voor-Indië
verloren gingen. Choiseul kon niettemin nog Lotharingen
inlijven (1766) en Corsica aankopen (1768). Onder de
regering van de zwakke Lodewijk XVI (1774–1792) werd
een aantal financiële hervormingen doorgevoerd door de
ministers Turgot (1774–1776) en Necker (1776–1781).
In hun halfslachtigheid voldeden zij echter de burgerij
niet meer. De deelname aan de Amerikaanse
Vrijheidsoorlog (1778–1783) verbeterde wel het Franse
internationale prestige, maar verscherpte het
staatsdeficit. De financiële nood dwong de regering
uiteindelijk tot het samenroepen van de Staten-Generaal,
voor het eerst sinds 1614.
5.5 De revoluties
Door gebrek aan initiatief bij de zwakke regering kon de derde stand
zichzelf uitroepen tot Nationale Vergadering (17 juni
1789). Deze schafte de feodale rechten en
standenprivileges af en proclameerde de rechten van de
mens en van de burger (4 en 27 aug. 1789). De koning zag
zich verplicht in 1791 de afgekondigde grondwet te
erkennen. Door het gebruik van zijn veto ter bescherming
van de uitgeweken edelen en de onbeëdigde priesters
verbitterde hij de massa. De oproerige Parijse
gemeenteraad en een nieuwe Nationale Conventie besloten
daarop tot de uitroeping van de republiek (21–25 sept.
1792). Twee partijen betwistten elkaar de macht in de
schoot van de Conventie: de Girondijnen, gematigde
republikeinen, en de radicale Montagnards, met Danton,
Robespierre, Hébert en Marat. Niet zodra hadden deze
laatsten door een bloedig schrikbewind hun tegenstanders
uitgeschakeld, of er brak in hun gelederen tweedracht
uit tussen de meer gematigde aanhangers van Danton en de
geëxalteerde extremisten en atheïsten rond Hébert.
Robespierre bracht ze allen ten val, maar viel door zijn
onverzettelijkheid zelf als slachtoffer van de terreur
op 28 juli 1794. Met hem namen de tweede en radicale
revolutie en de terreur een einde. Uit de reactie en de
verwarring die volgden, werd de grondwet van het jaar
III en het Directoire (17 okt. 1796 – 10 nov. 1799)
geboren. Deze in zichzelf verdeelde oligarchie had af te
rekenen met een revolte van de Parijse burgerij, door
Bonaparte in bloed gesmoord, met de steeds voortdurende
katholieke en koningsgezinde opstand in de Vendée, de
socialistische drijverijen van Babeuf en met zware
financiële moeilijkheden. De staatsgreep van 18
Brumaire (9 nov. 1799) voerde de grondwet van het jaar
VIII door en richtte het Consulaat (11 nov. 1799 – 18
mei 1804) in, waarvan generaal Napoleon Bonaparte de
sterke man was. (Zie ook Franse Revolutie.)
De republiek had zich, ondanks binnenlandse chaos en veel voorkomend
verraad, met succes tegen haar buitenlandse vijanden
weten te verdedigen (zie coalitieoorlogen). Lazare
Carnot werd de organisator van deze overwinning. Dank
zij hem was bij het einde van 1793 het grondgebied
gezuiverd van vijanden en kon men zelfs offensief gaan
optreden om de revolutiebeginselen over Europa uit te
dragen. Ter zee had anderzijds het ontslag van de
koningsgezinde officieren de vloot goeddeels van haar
leiding beroofd, wat door het revolutionaire elan niet
kon worden gecompenseerd. De wens van Danton aan de
republiek de natuurlijke grenzen te geven die de
monarchie voor zich had gedroomd, werd bij de Vrede van
Campo-Formio (17 okt. 1797) verwezenlijkt. Het
Directoire had, door de gevierde Napoleon Bonaparte naar
Egypte te sturen, zich wel niet van de ambitieuze
generaal kunnen ontdoen, maar had daarmee de Franse
koloniale politiek in Noord-Afrika ingeluid.
5.6 Consulaat en Keizerrijk
Bij zijn machtsoverneming zag Napoleon zich gesteld voor de onmogelijke
opgave het bestaan en de veroveringen van de revolutie
door Europa te doen aanvaarden. Zo werd hij meegesleurd
in een reeks zegevierende oorlogen tegen de zich steeds
hernieuwende coalities, waarvan Engeland telkens de ziel
was. Het continentale imperium dat hij zich daarbij had
opgebouwd, zou uiteindelijk ineenstorten door het
Engelse overwicht ter zee, het onbreekbaar verzet in
Spanje en het nationalisme in Europa, door de Franse
Revolutie zelf in het leven geroepen. Op binnenlands
terrein streefde Napoleon naar stabilisatie. De
administratie, het gerecht en het onderwijs werden
hervormd en gecentraliseerd. De Code Civil en de andere
wetboeken werden uitgevaardigd. De betrekkingen met de
kerk werden hersteld en de economie gesaneerd. Dit en
zijn krijgsroem lieten hem toe zich tot consul voor het
leven (1802) en tot keizer (1804) te laten uitroepen.
Zijn grote heerszucht en militarisme deden hem echter
het vertrouwen van de natie verliezen. De nederlaag ter
zee bij Trafalgar (1805) dwong hem tot een soort
tegenblokkade (het zgn. Continentale stelsel) en daarmee
tot de noodlottige veldtocht in Rusland (1812). In de
Slag van Leipzig (1813) bezegelde de zesde coalitie zijn
ondergang. De zegevierende terugkeer uit zijn verbanning
op Elba duurde slechts honderd dagen. De nederlaag te
Waterloo (18 juni 1815) was het onafwendbaar eindpunt
van het episch intermezzo, beginpunt tevens van de
restauratie.
5.7 De restauratie
Het gecentraliseerd bestuur en de wetgeving van de republiek en van het
Keizerrijk bleven behouden, maar de adel en de
geestelijkheid herwonnen hun politiek overwicht ten
nadele van de burgerij. De buitenlandse politiek, in het
spoor van de Heilige Alliantie, verwekte verzet. De
inzet van een nieuwe koloniale expansie door de
verovering van Algiers (1830) kon daaraan niets
verhelpen. De autoritaire machtsgreep van Karel X
(1824–1830) beantwoordden de liberalen onmiddellijk
met de Julirevolutie van 1830.
5.8 De Juli-monarchie
De burgerlijk denkende Louis-Philippe van Orléans (1830–1848)
aanvaardde het, te regeren met een grondwet die de
politieke macht in de handen van de bezittende klasse
legde. Sinds de economische depressie van 1846 won de
republikeinse en socialistische agitatie gedurig veld.
Toen de conservatief Guizot zich in febr. 1848 met
geweld wilde verzetten tegen het gevraagde algemeen
stemrecht, kwam het volk in beweging. De socialist Louis
Blanc en de republikeinen vormden een voorlopig bewind.
Ondanks de volksoproeren van mei en juni, het laatste
door generaal Cavaignac onderdrukt, hielden de
burgerlijke republikeinen de bovenhand.
5.9 Het Tweede Keizerrijk
De roep om een sterke man bracht echter niet Cavaignac, door de werklieden
gehaat, maar Lodewijk Napoleon in de presidentszetel.
Behalve aan zijn klinkende naam dankte hij dit aan de
steun van de katholieken, die van hem de bevoordeling
van de godsdienst verwachtten. Bij een conflict met de
Wetgevende Kamer over de kieswet ontbond hij deze (2
dec. 1851). Door een volksraadpleging liet hij zich met
de grondwetsherziening belasten. Een jaar later (2 dec.
1852) werd het Keizerrijk heropgericht. Napoleon III
regeerde als een absolute vorst met een machteloze
volksvertegenwoordiging. De krijgsroem, behaald in de
Krimoorlog (1854) en in de Italiaanse veldtocht (1859),
die Savoye en Nice aan Frankrijk bracht, en het
hernieuwde internationale prestige streelden
aanvankelijk de nationale trots. Grote openbare werken
bevorderden handel en nijverheid. De dubbelzinnige
houding tegenover de paus in de Italiaanse
vrijheidsoorlog vervreemdde echter de katholieken, zodat
de keizer sinds 1859 verplicht was minder autocratisch
te regeren. De vrijhandelsverdragen met Engeland (1860)
en met andere landen lokten kritiek uit. Het treurig
einde van het Mexicaanse avontuur (1862–1867) kon niet
worden uitgewist door de uitbreiding van de koloniën in
Algerije en Senegambië en door de verwerving van
Cochin-China en Cambodja (1858–1867). Het niet tijdig
ingrijpen in het conflict tussen Pruisen en Oostenrijk
(1866) droeg er veel toe bij om zijn aanzien te
verminderen. De reorganisatie van het leger door
maarschalk Niel en de grondwetswijziging in
parlementaire zin (6 sept. 1869) waren late pogingen om
aan de moeilijkheden het hoofd te bieden. Naar
aanleiding van de Hohenzollern-kandidatuur voor de
Spaanse troon brak de Frans-Duitse Oorlog uit.
5.10 De Derde Republiek
De nederlaag bij Sedan (1 sept. 1870) leidde te Parijs tot de uitroeping
van de republiek (4 sept. 1870). Deze sloot met het
nieuwe Duitse keizerrijk het Verdrag van Frankfurt (10
mei 1871), waarbij zij de Elzas en een goed deel van
Lotharingen afstond. Ondertussen was Parijs in de greep
van de socialistische en radicale Commune (18 maart –
28 mei 1871), die door maarschalk Mac-Mahon bloedig werd
onderdrukt. Onenigheid onder de monarchistische
meerderheid in de in 1871 gekozen Nationale Vergadering
had tot gevolg dat in 1875 de republiek grondwettelijk
werd ingericht. De royalistische president Mac-Mahon had
sinds 1876 te kampen met een republikeinse meerderheid
geleid door Gambetta en nam ontslag. Opnieuw dook met de
nationalistische generaal Boulanger de royalistische
gedachte op, maar voor een machtsgreep schrikte hij
terug (1889). De onvastheid van de ministeries en de
politieke schandalen bemoeilijkten het regeringswerk.
Het schandaal van de handel in ridderorden onder Grévy
(1887) en de Panamakanaalzwendel (1892–1893) werden
nog in de schaduw gesteld door de Dreyfus-affaire
(1894–1906). In haar geheel is de binnenlandse
politiek sterk antikatholiek geweest. In 1905 werd
opnieuw de scheiding van kerk en staat uitgeroepen. De
sociale wetgeving, die vooral sinds 1884 vorm kreeg,
bleef ondanks de actie van Jaurès en de socialisten
aarzelend.
Ferry spande zich in voor de uitbreiding van het koloniale rijk. In 1881
werd Tunis bezet. De Franse interventies in Egypte
(1882) en de vestiging van een feitelijk protectoraat
over Madagaskar (1884) hadden Engeland ontstemd. Dit en
de oorlog met China, waardoor Tonkin (1884) bij de
uitgebreide Franse invloedssfeer in Achter-Indië werd
gevoegd, leidden tot toenadering tot Duitsland. Deze
kwam ook tot uiting in de samenwerking bij de regeling
der Afrikaanse kwesties. Na het Siamees geschil (1893)
bereikte de Frans-Engelse naijver in het
Boven-Nigergebied en in het Boven-Nijldal een hoogtepunt
in het Fasjoda-incident (1898). Frankrijk boog het
hoofd, waardoor de toenadering tot Engeland begon. Sinds
1891 tekende een samengaan van Frankrijk met Rusland,
gegriefd door de brutale houding van Wilhelm II, zich
af; dit resulteerde in een tweevoudig verbond
(1892–1894). Minister Delcassé wist de internationale
positie van Frankrijk nog aanzienlijk te verbeteren. De
regeling van hun respectieve belangen in Noord-Afrika
bracht Italië en Frankrijk dichter bij elkaar
(1898–1900). Met Engeland werden alle nog resterende
koloniale geschillen geregeld in een Entente Cordiale
(1904), terwijl de banden met Rusland nauwer werden
aangehaald. De zo ontstane Triple Entente gaf Frankrijk
een sterke positie tegenover Duitsland in het
Marokkaanse geschil (1905–1911).
Het conflict tussen Rusland en Duitsland over de Servische kwestie sleepte
Frankrijk, dat zijn bondgenoot niet in de steek wilde
laten, mee in de Eerste Wereldoorlog. Tot 1917 was de
krijgskans de Franse legers niet bijzonder gunstig,
ondanks de door Joffre en Gallieni gewonnen Slag aan de
Marne. In nov. 1917 werd de regering toevertrouwd aan
Clemenceau. Dictatoriaal en heftig ging hij elk
defaitisme tegen en reorganiseerde hij de verdediging.
Een jaar later had Frankrijk de overwinning behaald. Op
de vredesconferentie te Versailles (1919) was Clemenceau
de dominerende figuur, maar zijn plannen om Duitsland
volledig te ontkrachten vonden geen instemming bij de
geallieerden. Niettemin kreeg Frankrijk
Elzas-Lotharingen terug.
Na de oorlog was de wederopbouw van het door zware demografische en
economische verliezen onttakelde Frankrijk een eerste
vereiste. Het politieke leven werd voorts beheerst door
de verhouding tot Duitsland. Het land werd voorlopig
geregeerd door een rechts georiënteerde Nationale Unie,
die al direct met een stakingsgolf werd geconfronteerd.
Briand poogde door toenadering tot het gematigde Britse
standpunt de kwestie van de herstelbetalingen te regelen
(Conferentie van Cannes, jan. 1922), maar werd door de
nationalistische Poincaré ten val gebracht. Deze
trachtte met geweld, door de eenzijdige bezetting van
het Ruhr-gebied (jan. 1923), een oplossing te forceren.
De verkoeling van de betrekkingen met Groot-Brittannië
werd nog sterker, toen in de Grieks-Turkse Oorlog
Frankrijk Turkije steunde, terwijl Groot-Brittannië
achter Griekenland stond. Ondertussen had Frankrijk zich
een reeks continentale bondgenoten gezocht: België
(1921), Polen (1924) en de Kleine Entente (Tsjechoslowakije,
Joegoslavië en Roemenië). De verkiezingsoverwinning
van het radicaal-socialistisch kartel in 1924
verloochende de Ruhr-politiek van Poincaré, zocht
toenadering tot Groot-Brittannië en aanvaardde het
Dawes-plan voor de herstelbetalingen. Briand verhoogde
het internationale prestige door het Verdrag van Locarno
(1925) en het Briand-Kellogg-pact (1928). De financiële
moeilijkheden en de inflatie namen dreigende vormen aan
tot Poincaré er in 1928 in slaagde de franc op een
vijfde van zijn vroegere waarde te stabiliseren. Ook had
men te kampen met opstanden in Marokko en Syrië. Vóór
de verkiezingen van 1928 viel de Nationale Unie uiteen.
Tardieus strenge politiek tegen Duitsland (1932)
ondervond Britse kritiek en verbitterde Duitsland. Zo
was Frankrijk weer op zijn continentale
bondgenootschappen en op een stevige verdediging (Maginot-linie)
aangewezen.
De verkiezingen van 1932 brachten opnieuw een linkse overwinning, maar de
financiële moeilijkheden, de economische achteruitgang
en de kritiek op het parlementaire stelsel maakten een
stabiele regering onmogelijk. Parijs zelf was het toneel
van straatgevechten, waarbij zowel royalistische en
fascistische als communistische groepen betrokken waren.
Doumergue vormde daarop een kabinet van nationale
concentratie met Pétain en Barthou (febr. 1934). Deze
laatste spande zich in om het Franse alliantiesysteem te
verstevigen. Met de Kleine Entente, de Sovjet-Unie die
hij in de Volkenbond bracht, en wellicht ook met Italië
hoopte hij Hitler-Duitsland te isoleren, vooral daar
Polen zijn pro-Franse politiek had opgegeven. Bij zijn
poging tot verzoening van Joegoslavië en Italië werd
hij vermoord (9 okt. 1934). In de daaropvolgende maand
nam premier Doumergue ontslag, daar zijn
grondwetsherziening ter versteviging van het uitvoerend
gezag verworpen werd. De deflatiepolitiek van zijn
opvolger Laval was bij de massa uiterst onpopulair. Op
14 juli 1935 vormde zich een eenheidsfront van
communisten, socialisten en radicalen, die zich ook in
demonstraties keerden tegen de sterke fascistische
stromingen. De val van Laval (22 jan. 1936) was echter
ook te wijten aan de voortzetting van de buitenlandse
politiek van Barthou. Reeds als minister van
Buitenlandse Zaken had hij met Mussolini het Verdrag van
Rome (jan. 1935) gesloten. In febr. 1936 werd het reeds
in mei 1935 gesloten Frans-Russisch Verdrag ondertekend.
De daaropvolgende bezetting van het Rijnland door de
Duitse troepen (7 maart 1936) en de opzegging van de
Locarno-verdragen moesten onbeantwoord blijven bij
gebrek aan Engelse steun.
De Volksfront-regering van Leon Blum, in juni 1936 aan de macht gekomen,
voerde sociale verbeteringen door die echter een enorme
kapitaalvlucht en een sterke inflatie tot gevolg hadden.
Geheel in de lijn van haar programma stelde de regering
de Banque de France en de wapenindustrie onder toezicht
en trad op tegen de fascistische groeperingen. Uit vrees
voor een wereldoorlog voerde Blum echter, gesteund door
Engeland, een politiek van non-interventie in de Spaanse
Burgeroorlog. Het radicale kabinet-Daladier (10 april
1938) sloeg zelfs een tegengestelde richting in. De
scherpe deflatiepolitiek lokte stakingen uit, maar
verbeterde de economische toestand.
In de internationale politiek liet men zich verder door Groot-Brittannië
leiden. De oude Franse bondgenoot Tsjechoslowakije werd
te München (sept. 1938) prijsgegeven. Tegen de
aanspraken van Mussolini in de Middellandse Zee zette
Daladier zich echter schrap en erkende zelfs de regering
van Franco in dat verband. Na de flagrante schending van
het akkoord van München gaven beide landen garanties
aan de Balkanstaten en Polen. Pogingen het
Frans-Russisch Verdrag te verstevigen stuitten op het
tot stand komen van het Duits-Russisch non-agressiepact
(aug. 1939).
5.11 Tweede Wereldoorlog
Na de Duitse inval in Polen verklaarden Groot-Brittannië en Frankrijk op
3 sept. 1939 de oorlog aan Duitsland. Op 10 mei 1940
trokken de Duitse troepen Frankrijk binnen. Het Franse
leger en zijn ten onrechte op de Maginot-linie
vertrouwende leiders bleken niet opgewassen tegen deze
macht. Binnen enkele weken stortte de defensie volledig
ineen. Op 22 juni sloot de regering, waarin Reynaud op
20 maart 1940 Daladier als premier was opgevolgd en al
op 16 juni plaats had moeten maken voor de oude
maarschalk Pétain, een wapenstilstand met Duitsland.
Het grootste deel van het land, met Parijs en de hele
Atlantische en Kanaalkust, werd door de Duitsers bezet.
Twee dagen later volgde een wapenstilstand met Italië,
dat op 10 juni Frankrijk binnengevallen was. De
regering-Pétain vestigde zich in Vichy in het onbezette
deel van Frankrijk. Na de geallieerde landing in
Noord-Afrika (nov. 1942) breidden de Duitsers hun
bezetting over het hele land uit. In de regering te
Vichy had de naar samenwerking met Duitsland strevende
ex-premier Laval inmiddels de feitelijke leiding
gekregen (maart 1942). Pétains plaatsvervanger,
admiraal Darlan, sloot zich in nov. 1942 bij de
geallieerden aan. Ondanks de vernieuwing van de
nationale identiteit die Pétain en de zijnen in l'État
Français (de officiële naam van de republiek van Vichy)
probeerden door te voeren – o.a. door een nieuw
devies: travail,
famille, patrie – collaboreerde Pétain in feite
met de Duitsers. Aangezien het collaboratie was op het
hoogste politieke niveau, vormt ‘Vichy’ een nog niet
verwerkt hoofdstuk uit het Franse oorlogsverleden.
Buiten Frankrijk zette de naar Engeland uitgeweken generaal Charles De
Gaulle met een kleine groep ‘vrije Fransen’ de
strijd tegen de Duitsers voort. In Frankrijk zelf
ontstonden verscheidene verzetsbewegingen, die vanaf mei
1943 samenwerkten in het Conseil National de la Résistance.
De Gaulle werd in 1943 hoofd van een Frans nationaal
bevrijdingscomité en keerde bij de bevrijding in aug.
1944 terug als hoofd van een voorlopige regering. Deze
regering steunde op de progressieve katholieke MRP
(Mouvement Républicain Populaire), de socialisten en de
communisten. De Fransen die met de Duitsers hadden
samengewerkt, werden gestraft. Pétain werd ter dood
veroordeeld (wat door De Gaulle in levenslang werd
gewijzigd), Laval werd gefusilleerd. In jan. 1946 trok
De Gaulle zich uit de regering terug.
5.12 De Vierde Republiek
In okt. 1946 werd bij een volksstemming de nieuwe grondwet goedgekeurd. De
socialist Vincent Auriol werd in jan. 1947 de eerste
president van de Vierde Republiek. Dit tijdperk werd
gekenmerkt door politieke instabiliteit. De economische
toestand ontwikkelde zich ondanks devaluaties en talloze
stakingen gunstig. Een groot aantal kabinetten volgde
elkaar in snel tempo op. De belangrijkste politieke
figuren waren: Georges Bidault (MRP), premier in 1946 en
minister van Buitenlandse Zaken in verscheidene
kabinetten, Robert Schuman (MRP), premier in 1947/1948
en minister van Buitenlandse Zaken van 1948 tot 1953,
voorvechter van de Europese samenwerking, de
conservatief Antoine Pinay, premier in 1952, wiens
financiële politiek tegen de geldontwaarding was
gericht, en de radicaal Mendès-France, die ten slotte
de beslissing tot een wapenstilstand nam in de oorlog in
Indo-China.
Nadat de rechtse partijen korte tijd hun aantrekkingskracht hadden
verloren, herstelden de conservatieven zich na de oorlog
al snel. Begin jaren vijftig organiseerde Henri Poujade
de ontevreden middenstand en ambachtslieden, waarmee het
georganiseerde rechtse volksprotest zijn herintrede deed
in de Franse politiek.
De Gaulle, die zich tegen de nieuwe grondwet had gekant wegens de zijns
inziens te zwakke positie van de uitvoerende macht
tegenover het parlement, richtte in 1947 een eigen
partij op, de Rassemblement du Peuple Français. De
dekolonisatie bracht ten slotte de ondergang van de
Vierde Republiek. In Algerije was in 1954 verzet tegen
het Franse bewind ontstaan. Uit vrees voor mogelijke
onderhandelingen met de Algerijnse nationalisten vormden
Fransen in Algerije met steun van het leger op 13 mei
1958 een revolutionair ‘comité de salut public’,
dat een regering onder De Gaulle bepleitte. Om een
burgeroorlog te voorkomen gaf president Coty (die in
1954 Auriol was opgevolgd) een opdracht tot
kabinetsformatie aan De Gaulle, die behalve van de
rechtse partijen ook steun kreeg van de MRP en een deel
van de radicalen en de socialisten (1 juni 1958).
Al mocht de Vierde Republiek uiteindelijk aan haar eigen instabiliteit ten
onder gaan, op het Europese vlak initieerde zij vele
integratieplannen (Kolen- en Staalgemeenschap,
Defensiegemeenschap) die de stabiliteit in Europa
moesten bevorderen. Deze plannen kunnen echter niet los
gezien worden van de naoorlogse Duitslandpolitiek,
waarmee Frankrijk poogde om de Bondsrepubliek Duitsland
onder controle te krijgen door het te integreren in
West-Europa.
5.13 De Vijfde Republiek
Met volmachten bekleed, kon De Gaulle zijn plannen voor staatkundige
hervormingen doorzetten. Meer dan 80% van de kiezers
sprak zich op 28 sept. 1958 uit voor een nieuwe
grondwet, die de invloed van het parlement beknotte en
veel gezag in handen legde van de president. De nieuwe
gaullistische partij, de Union pour la Nouvelle République
(UNR), kreeg dankzij het districtenstelsel de grootste
fractie in de Nationale Vergadering. De Gaulle werd op 8
jan. 1959 als president geïnstalleerd, premier werd
zijn volgeling M. Debré, die in april 1962 plaats moest
maken voor de ex-bankier Pompidou.
Toen ook De Gaulle voor het Algerijnse probleem geen andere uitweg zag dan
onafhankelijkheid, kwamen de rechtse politici en
militairen, die hem aan de macht hadden geholpen, in
opstand. Hun staatsgreep (onder leiding van generaal
Salan) te Algiers (22 april 1961) werd echter
onderdrukt; hun organisatie van het geheime leger (OAS)
bloedde geleidelijk dood. Het gezag van De Gaulle werd
versterkt doordat bij referendums over omstreden zaken
een ruime meerderheid zich voor zijn politiek uitsprak.
Zo sprak op 8 april 1962 90,7% van de kiezers zich uit
voor de Algerijnse onafhankelijkheid. Met een wijziging
van de grondwet, waardoor de president voortaan
rechtstreeks werd gekozen, verklaarde op 28 okt. 1962
61,7% van het electoraat zich akkoord. In maart 1967
behielden de gaullisten samen met hun
onafhankelijk-republikeinse bondgenoten ternauwernood de
meerderheid. Intussen was de ambtstermijn van De Gaulle
in dec. 1965 met zeven jaar verlengd.
Met de machtsoverneming door De Gaulle werd een geheel nieuwe koers
ingeslagen, gericht op herstel van de onafhankelijke en
invloedrijke positie tussen de grote machten. Het
dekolonisatieproces werd bespoedigd. De Gaulle wenste de
EEG dienstbaar te maken aan een ‘Europa der
Vaderlanden’, een Europa dat zich zou moeten
uitstrekken van de Atlantische Oceaan tot aan de Oeral.
Daartoe moest de invloed van de Verenigde Staten worden
teruggedrongen. Frankrijk onttrok zijn troepen in 1966
geheel aan het NATO-gezag; NATO-bases moesten worden
ontruimd. Het land streefde naar de opbouw van een
onafhankelijke kernmacht (febr. 1960: eerste atoombom;
aug. 1968: eerste waterstofbom; geen ondertekening van
het non-proliferatieverdrag). Groot-Brittannië werd tot
tweemaal toe (resp. in jan. 1963 en in dec. 1967) door
een Frans veto uit de EEG geweerd. De betrekkingen met
de Bondsrepubliek Duitsland werden nauwer aangehaald
door een vriendschapsverdrag (22 jan. 1963). Ook werden
de betrekkingen met de Sovjet-Unie en de andere
Oost-Europese landen verbeterd, waarbij De Gaulle er
tegelijkertijd naar streefde de dominerende positie van
de Sovjet-Unie in Oost-Europa af te zwakken. Met de
Arabische landen werden goede relaties opgebouwd, wat op
de betrekkingen met Israël zijn weerslag had. Het
paternalistische regime van De Gaulle werd in 1968
geconfronteerd met de mei-revolte, die begon in de
universitaire wereld van Parijs en oversloeg op vrijwel
de gehele Franse arbeidersklasse, waarmee de studenten
zich solidair hadden verklaard. De opstand verliep,
nadat aanzienlijke loonsverhogingen en vernieuwingen,
o.a. op onderwijsgebied, waren toegezegd. Bij in juni
gehouden verkiezingen sprak een groot deel van het
Franse volk zich uit voor de bestaande verhoudingen. De
gaullisten, die met de onafhankelijke republikeinen en
andere onafhankelijken een breed front tegen de
linkerzijde vormden onder de naam Union pour la Défense
de la République, boekten grote winst en behaalden de
absolute meerderheid in de Nationale Vergadering.
Premier Pompidou werd vervangen door Couve de Murville.
5.14 De jaren zeventig en tachtig
In april 1969 trad De Gaulle af, daar zijn voorstellen met betrekking tot
een hervorming van de Senaat en een nieuwe regionale
indeling in die maand waren verworpen. De
presidentsverkiezingen brachten een overwinning voor
Georges Pompidou. Op binnenlands terrein streefde
Pompidou naar een snelle industrialisatie, in de
buitenlandse politiek volgde hij de lijn-De Gaulle,
hoewel minder star (bijv. medewerking aan Engelands
toetreding tot de EEG, positiever deelname aan
NATO-vergaderingen). Bij de parlementsverkiezingen van
maart 1973 boekten de samenwerkende socialisten en
communisten winst, maar de regeringspartijen behielden
de meerderheid. Links werkte ook samen bij de door de
dood van Pompidou (2 april 1974) noodzakelijk geworden
presidentsverkiezingen. Deze werden in mei 1974 gewonnen
door de minister van Financiën en Economie, de
onafhankelijke republikein V. Giscard d'Estaing. Hij
versloeg met zeer gering verschil de socialistische
leider F. Mitterrand. Nadien traden socialisten en
communisten niet meer als blok bij de verkiezingen op:
in 1977 ontstond een breuk tussen de partijen.
Onder Giscard werd het door zijn directe voorgangers gevoerde beleid in
grote lijnen voortgezet. In de buitenlandse politiek
bleef het streven naar een sterk, door Frankrijk en de
Bondsrepubliek Duitsland beheerst Europa, onafhankelijk
van de Verenigde Staten, gehandhaafd, evenals de
pro-Arabische houding in het Midden-Oosten. In voormalig
Frans-Afrika bleef Frankrijk vertegenwoordigd door de
aanwezigheid van militaire troepen en adviseurs, terwijl
de financieel-economische invloed nog werd vergroot.
Giscards bewind had o.m. te kampen met separatistische
bewegingen op Corsica en in Bretagne. Mei 1981 werd
Giscard verslagen door de presidentskandidaat van links,
Mitterrand. Na de parlementsverkiezingen in juni kwam er
een regering van socialisten (PS) en communisten (PCF)
onder P. Mauroy. Geheel volgens het verkiezingsprogramma
probeerde men via nationalisaties de Franse economie te
verbeteren. Door tegenvallende resultaten werd men in
juni 1982 al gedwongen om het progressieve economische
beleid af te zwakken. Onder L. Fabius maakten de
communisten niet langer deel uit van de regering. Nadat
UDF–RPR onder aanvoering van J. Chirac (RPR) in maart
1986 de parlementsverkiezingen hadden gewonnen werd de
Vijfde Republiek geconfronteerd met een in haar
geschiedenis onbekende staatkundige variant, de cohabitation:
een premier en een president van verschillende politieke
kleur. Nadat Mitterrand in mei 1988 opnieuw de
presidentsverkiezingen had gewonnen (van Chirac) kwam er
na de parlementsverkiezingen van juni 1988 opnieuw een
socialistische regering onder leiding van M. Rocard. In
de jaren tachtig vielen vooral op: het kleiner worden
van de electorale basis van de communistische partij en
haar politieke invloed, de opkomst van extreem-rechts in
de vorm van het Front National van J.-M. Le Pen en de
opkomst van de Groenen (Les
Verts, sinds juni 1989 vertegenwoordigd in het
Europees Parlement).
5.15 De jaren negentig
Met de benoeming van Edith Cresson, op 15 mei 1991, werd voor het eerst
een vrouw premier van Frankrijk. Doordat zij premie- en
belastingverhogingen voorstelde en een harder optreden
tegen illegalen voorstond, liep haar populariteit snel
terug. Zij werd in april 1992 opgevolgd door Pierre Bérégovoy.
Deze trad als premier terug na de socialistische
nederlaag bij de verkiezingen van 12 maart 1993 en werd
opgevolgd door E. Balladur. In mei pleegde de
teleurgestelde Bérégovoy zelfmoord, mede naar
aanleiding van het mislukken van zijn economisch
programma. De slechte economische situatie leidde in
juli 1993 tot aanvallen door speculanten op de Franse
franc. Het gevolg was dat de Franse franc de facto het
Europees Monetair Stelsel moest verlaten.
De regering-Balladur kreeg in 1994 te maken met talrijke
corruptieschandalen die enkele ministers tot aftreden
dwongen. Fel verzet ontmoette de regering toen zij, in
een poging het islamitische volksdeel tot assimilatie te
dwingen, een verbod instelde op het dragen van een
hoofddoek voor meisjes op scholen.
Bij de presidentsverkiezingen van mei 1995 liet Jacques René Chirac,
leider van de gaullistische RPR en burgemeester van
Parijs, eerst zijn door schandalen achtervolgde
partijgenoot Balladur achter zich om in de tweede ronde
ook van de socialistische kandidaat Lionel Jospin te
winnen. Jean-Marie Le Pen van het extreem-rechtse Front
National verwierf 15% van de stemmen. Na aanvankelijk
enige van Chiracs verkiezingsbeloften te hebben
ingelost, daalde de populariteit van premier Juppé, die
een straf bezuinigingsbeleid voorstond, snel. Een golf
van stakingen legde eind 1995 het openbare leven lam. In
okt. en nov. 1996 kwam het tot massale stakingen bij de
spoorwegen, in de luchtvaart, het onderwijs en andere
overheidsdiensten. Vrachtwagenchauffeurs gingen over tot
blokkades ter verbetering van hun arbeidsvoorwaarden,
aan welke eis de regering gedeeltelijk tegemoetkwam.
Intussen daalde de economische groei en bereikte de
werkloosheid een naoorlogs record.
In 1995 werd Parijs opgeschrikt door een aantal terroristische aanslagen
van de Algerijnse fundamentalistische-islamitische
organisatie GIA. Op Corsica vond in 1995 en 1996 een
groot aantal bomaanslagen plaats die het werk waren van
verschillende nationalistische bewegingen.
Begin jan. 1996 overleed oud-president François Mitterand. Bij
gemeenteraadsverkiezingen in febr. 1997 in het
Zuid-Franse stadje Vitrolles behaalde het Front National
een absolute overwinning, waarmee de vierde Zuid-Franse
stad in handen viel van extreem-rechts, terwijl Nice
wordt bestuurd door een geestverwant van Le Pen.
Peilingen gaven aan dat 30% van de Fransen de ideeën
van het Front National onderschreef. In het voorjaar van
1997 schreef president Chirac vervroegde verkiezingen
uit in de hoop de positie van de regering-Juppé te
versterken. In twee verkiezingsronden behaalden de
socialisten onder leiding van Jospin en hun bondgenoten
op 1 juni een grote overwinning en kwamen met 282 van de
577 zetels in de Nationale Vergadering.
In 1995 lokten Franse kernproeven op het atol Moruroa in de Stille Zuidzee
felle internationale protesten uit, vooral van Australië,
Nieuw-Zeeland en Japan. Na de proeven ondertekende
Frankrijk begin 1996 het Verdrag van Rarotonga voor een
kernwapenvrije zone in de Stille Zuidzee. In juni 1996
maakte minister van Defensie Millon op een
halfjaarlijkse vergadering van zijn NAVO-collega’s in
Brussel bekend dat Frankrijk wilde meewerken aan een
‘nieuwe’ NAVO met een aparte Europese
defensie-identiteit.
In EU-verband pleitte Frankrijk voor een streng gemeenschappelijk
drugsbeleid. President Chirac had zich herhaaldelijk
gekeerd tegen het liberale Nederlandse drugsbeleid.
In de aanloop naar de Europese top in Dublin van dec. 1996 ontstond
onenigheid tussen Frankrijk en Duitsland over het
stabiliteitspact, dat na inwerkingtreding van de EMU
moet zorgen voor begrotingsdiscipline bij de deelnemende
landen. Parijs pleitte voor meer politieke vrijheid:
ruimere marges en minder autonomie voor de Europese
centrale bank.
5.16
Kolonisatie en dekolonisatie
Frankrijk verkreeg zijn meeste koloniën in de 19de eeuw; de vroeger
gekoloniseerde gebieden op het Amerikaanse
continent (o.m. Canada en Louisiana) moesten na de
Zevenjarige Oorlog in 1763 aan Engeland worden
afgestaan. Met de verovering van Algiers in 1830 begon
de ontwikkeling van het Franse koloniale rijk in Afrika, dat ten slotte grote gebieden in Noord-, West- en
Centraal-Afrika omvatte. In 1881 kwam Tunesië
en in 1912 Marokko
onder Frans gezag. In de tweede helft van de 19de eeuw
werd Indo-China geleidelijk gekoloniseerd. Tussen de beide wereldoorlogen
bereikte de Franse invloed zijn grootste uitbreiding.
Syrië en Libanon, die als mandaatgebieden aan Frankrijk
waren toegewezen, werden in 1941 door de geallieerden
onafhankelijk verklaard. Op een conferentie van de vrije
Fransen te Brazzaville (Kongo) in 1944 werd de basis
gelegd voor een nieuwe verhouding tussen Frankrijk en
zijn overzeese gebieden na de oorlog. Als uitvloeisel
hiervan werd bij de grondwet van 1946 de Franse Unie in het leven geroepen, waarin de delen een verschillende
graad van zelfbestuur konden krijgen. De
nationalistische bewegingen in Indo-China dwongen
Frankrijk in 1949 Cambodja, Laos en Vietnam de
onafhankelijkheid te verlenen binnen de Franse Unie. De
nederlaag bij Dien Bien Phu tegen de communistische
Viet-Minh-opstandelingen leidde in 1954 tot de deling
van Vietnam: Zuid-Vietnam bleef tot 1956 in de Franse
Unie, Noord-Vietnam werd onafhankelijk. Ook Laos en
Cambodja werden nu geheel onafhankelijk. Tunesië en
Marokko kregen in 1956 onafhankelijkheid.
Na de machtsovername door generaal De Gaulle werd de Franse Unie in 1958
omgezet in de Franse
Gemeenschap, welke was samengesteld uit de Franse
Republiek en veertien voormalige koloniale Afrikaanse
gebieden. Frans Guinea verwierp bij een referendum als
enige de grondwet van 1958 en verbrak daarmee alle
banden met Frankrijk. De overige gebieden kregen intern
zelfbestuur, maar werden in 1960 eveneens onafhankelijk
verklaard. Met Tsjaad had Frankrijk rond 1980 nog een
conflict omtrent de troepenstationering in dat land. In
1984 werden de laatste Franse legereenheden uit Tsjaad
teruggetrokken. De zwaarste strijd werd echter gestreden
in Algerije, waar ca. 13 miljoen Europese kolonisten
woonachtig waren en dat als departement van Frankrijk
werd bestuurd. Hier brak in 1954 onder de Arabische
bevolking een opstand uit – met verstrekkende gevolgen
voor de Franse binnenlandse politiek – welke in 1962
leidde tot de onafhankelijkheid. Van de resterende
overzeese bezittingen bleef Afar- en Issaland (vroeger
Frans Somaliland) zijn autonome status behouden tot
1977. In dat jaar werd het onafhankelijk onder de naam
Djibouti. Over de huidige structuur van de Franse
Gemeenschap bestaat ontevredenheid in de overzeese
gebiedsdelen. Halverwege de jaren tachtig kwam het tot
grote ongeregeldheden op Nieuw-Caledonië, waar de
Kanaken meer zelfstandigheid wilden ten koste van de
allochtonen, die vreesden voor hun economische positie.
Voorjaar 1988 wist Frankrijk door militair ingrijpen de
orde te herstellen.
Het assimilatiebeleid. Het militaire element heeft in het Franse kolonialisme altijd een
vooraanstaande rol gespeeld, maar in Noord-Afrika werd
vanuit het moederland geprobeerd om d.m.v. assimilatie
te komen tot een vreedzaam bestuur over dit gebied. Deze
politiek van assimilatie had tot doel om (vooral door
onderwijs) de Noord-Afrikaan op te voeden in de Franse
cultuur, op den duur uitmondend in een volwaardig Frans
staatsburgerschap: de Franse natie aan beide zijden van
de Middellandse Zee. Het islamitisch verzet tegen deze
‘gallificatie’ bleek echter te sterk. Slechts een
smalle laag assimileerde de Franse cultuur werkelijk. De
assimilatiepolitiek heeft haar grote doel niet bereikt.
Zij is echter niet helemaal zonder gevolgen gebleven
voor Noord- en West-Afrikaanse landen. Vele van de
voormalige overzeese gebiedsdelen maken met de nog
bestaande overzeese gebiedsdelen deel uit van de
Franstalige wereld.
Jeu de boules
Overal in Frankrijk
wordt jeu de boules gespeeld. In het zuiden - in wat de
Fransen zelf de Midi noemen - wordt dit favoriete
ballenspel echter met wel heel grote passie beoefend. In
Frankrijk spreekt men trouwens niet van jeu de boules
maar van pétanque, afgeleid van 'pieds tangues' wat
letterlijk voeten bijeen betekent. De Romeinen brachten
dit behendigheidsspel naar Frankrijk. In de Midi was het
van meet af populair; in de Middeleeuwen veroverde het
de rest van Frankrijk.
|