Frankrijk informatie

 

Frankrijk is een land van tegenstellingen: in het zuiden worden rijst en bananen verbouwd; in de eertijds Duitse Elzas brouwt men bier; in het zuidoosten liggen de ruim 750 m diepe Gorges de Verdon, terwijl het vlakke landschap in het noordwesten één geheel met Vlaanderen vormt; en de rijke wijngaarden van Bourgogne contrasteren weer sterk met het ruige en woeste Bretonse schiereiland.

Voor velen zal de enorme ruimte van het land een van de grootste attracties van een bezoek aan Frankrijk vormen. Aangezien het betrekkelijk dun bevolkt is, liggen de steden op grote afstand van elkaar en zodra men de grote wooncentra verlaat, zal men slechts weinig  en dan nog zeer verspreide dorpen aantreffen. Sedert de Tweede Wereldoorlog zijn er veel mensen van het platteland naar de grote steden getrokken. Dit geldt vooral voor gebieden als Bretagne, Auvergne, de Alpen en de Pyreneeën, waar mechanisatie van het boerenbedrijf moeilijk of onmogelijk is. Men vindt er onbewoonde, vervallen boerderijen die in toenemende mate een functie gaan vervullen als tweede woning, ook voor Nederlanders.


Frankrijk heeft ongeveer 53 miljoen inwoners. 1/5 deel hiervan woont in of in de directe omgeving van de hoofdstad Parijs.(12 miljoen) De meeste mensen in Frankrijk zijn Katholiek.

Het land is verdeelt in 95 Departementen en 4 overzeese gebiedsdelen.(Guadeloupe, Guyana, Martinique en RJ union.

In de Romeinse tijd werd het Galie genoemd. Aan de westkant van het land ligt de Atlantische Oceaan en aan de zuidkant de Middellandse Zee.

Tot 1789 was Frankrijk een koninkrijk. Bekende koningen zijn Lodewijk de 14de en 16de. Zeer belangrijk voor de tijd na het koninkrijk was Napoleon.

Sinds 1970 is het een republiek. In het noorden zijn veel kolenmijnen en er is ook aardgas.

Frankrijk is het derde toeristische land in Europa.

 

De bevolking

De 50 miljoen Fransen die ervan beschuldigd worden verwaand en aanmatigend te zijn, zijn waarschijnlijk het meest miskende volk van de wereld. Zodra men hen neemt zoals ze zijn, blijken zij hartelijk, vrien delijk, behulpzaam en  vooral op het platteland  gastvrij te zijn.

 

Eten en drinken

Frankrijk is een van de vruchtbaarste landen ter wereld en het voedsel van de rijke bodem wordt door inventieve koks dagelijks tot feestmalen omgetoverd. Maar als koken in Frankrijk een ambacht is, dan is eten er een kunst. Het zal dan ook niet vaak voorkomen dat u er slecht te eten krijgt. Gaat u niet teveel af op het uiterlijk van de diverse eetgelegenheden. In de steden kan men behoorlijk eten in de stationsrestauraties die zich specialiseren in de gerechten uit de streek. En wanneer u ergens langs de weg een vrachtwagenchauffeur ziet stoppen om bij een van de 'Routiers' te gaan eten, dan kunt u zijn voorbeeld gerust volgen. Overigens is het ook mogelijk om elke dag heerlijk te piknikken met broodjes en vleeswaren uit de plaatselijke patisserie en charcuterie.

Wij kunnen ons Frankrijk moeilijk voorstellen zonder de wijngaarden die jaarlijks ongeveer 60 miljoen hectoliter wijn opleveren. De betere wijnen dragen de naam van het chateau of de wijngaard waar zij gebotteld werden en ze zijn niet goedkoop, maar de vin ordinaire (landwijn) is soms goedkoper dan melk. De wijngebieden zijn even verschillend als de wijn die er geproduceerd wordt. De beste tijd voor een bezoek is in de herfst, wanneer door het hele land de druivenoogst  de vendange  wordt gevierd. Het is echter het hele jaar door de moeite waard de wijnstreken te bezoeken, want ieder gebied heeft zijn eigen 'wijnroute', zijn wijnmuseum en bovendien de kelders waar de wijn kan worden geproefd.

 

Badplaatsen en sport

Frankrijk beschikt over drie verschillende kustgebieden: de Kanaalkust in het noorden, de Atlantische kust in het westen en de zuidelijke MiddellandseZeekust. Deze kusten zijn eik voor zich zeer verscheiden. Picardië, Normandië en Bretagne liggen bijvoorbeeld alle drie aan het Kanaal en zijn toch alle drie weer anders. Drie kusten, drie zeeën en drie klimaten; samen beslaan ze een afstand van ongeveer 4 500 km, met wijde baaien, diep in het land dringende kreken en riviermonden en met dennen omzoomde zandstranden. Dit alles afgewisseld met 350 grote badplaatsen en wel drie maal zoveel kleinere. Voeg hier nog bij 100 kuuroorden en 120 vakantieoorden in de bergen en u zult begrijpen dat Frankrijk aan ieders smaak kan voldoen.

Na het midden van september kunnen weekendwandelingen in de bossen gevaarlijk zijn, vooral in het zuiden, want dan is het jachtseizoen in volle gang. Rijen mannen die met het geweer in de aanslag door een bietenveld trekken, of langs de kant van de weg opgesteld zijn, met hun honden roerloos van opwinding naast zich, leveren een vertrouwde aanblik op. De jacht bereikt dan zo'n koortsachtige hoogte, dat broers en vrienden maar al te vaak voor een fazant of merel worden aangezien en door een schot hagel getroffen worden. De jacht varieert van het schieten op wilde eenden in de Camargue tot wilde zwijnen in het Massif Central.

In de Alpen, de Pyreneeën en de bergen van Auvergne worden de mogelijkheden tot skiën en bergbeklimmen steeds groter. De laatste tijd wordt er ook op de bergmeren veel aan watersport gedaan.

 

Verblijfsaccommodatie en vervoer.

De hoofdwegen in Frankrijk zijn goed. Vanuit Nederland is er een vierbaansautoweg via Antwerpen en Rijssel om Parijs heen tot de Cote d'Azur. Tegen betaling van tolgeld kan men van deze snelle doorgaande verbinding gebruik maken.

Frankrijk is nu eenmaal een groot land; daarom kan het afleggen van langere afstanden eentonig worden en bepaalde streken zullen zo op het oog niet erg aantrekkelijk lijken. In zulke gevallen bieden de Franse spoorwegen uitkomst met de autoslaaptreinen; dit zijn sneltreinen waarin men ook vanuit ons land, met de auto, vervoerd kan worden naar Biarritz, Toulouse, Narbonne, Avignon en Lyon. Een spoorwegnet van in totaal zo'n 40 000 km doet 5000 stations aan. De treinen rijden bijzonder punctueel en de diensten zijn zo uitgebreid dat zij grotendeels het busverkeer op lange afstand vervangen. Dit geldt echter niet voor het plaatselijke busverkeer dat de dienst onderhoudt tussen de stations aan deze spoorwegen en het achterland. Langs de wegen vindt men meer dan 14 000 hotels die voldoen aan de strikte eisen die de Franse regering stelt. A1 deze hotels zijn wettelijk verplicht in al hun kamers een kaartje met de prijs van deze kamer op te hangen en geen enkel Franse hotelier zal

er bezwaar tegen maken als een gast de kamer eerst wil bekijken.

 

 

Frankrijk

                   INTRODUCTIE   
Frankrijk (La France; officieel: République française), republiek in West-Europa, 543 965 km2, met 58 miljoen inw. (107 inw. per km2); hoofdstad: Parijs. De Franse staat omvat, naast Europees Frankrijk als integrerend deel, de overzeese departementen: Guadeloupe, Frans Guyana, Martinique en La Réunion, de ‘collectivités territoriales’ Îles Saint-Pierre et Miquelon en Mayotte, en vier overzeese territoriën: Nieuw-Caledonië, Vanuatu, Frans Polynesië en Wallis en Futuna. Frankrijk maakt aanspraak op een deel van Antarctica: Adélieland.



Munteenheid is de franc (F), verdeeld in 100 centimes. Nationale feestdag is 14 juli, de dag waarop de bestorming van de Bastille in 1789 plaatsvond.

                   1. FYSISCHE GEOGRAFIE                    1.1 Geologie  
 Frankrijk bestaat vnl. uit vijf grote geologische eenheden: het Cadomisch orogeen, het Variscisch orogeen, het alpine orogeen, het Bekken van Parijs en het Bekken van Aquitanië. Het Cadomisch orogeen is ontsloten in het Armorikaans Massief. Sedimentatie en vulkanisme vonden plaats tijdens het laatste gedeelte van het Precambrium; de plooiing is van vroeg-cambrische ouderdom. Gedeelten van het Variscisch orogeen vindt men op vele plaatsen in Frankrijk. Gesteenten, gevormd of geplooid tijdens de Variscische orogenese, komen voor in de Ardennen, Vogezen, Bretagne, Massif Central (Centraal Massief), Pyreneeën en in de alpine centrale massieven als Mont Blanc, Aiguilles Rouges, Belledonne, Mont Pelvoux en Argentera. Behalve de Ardennen bestaan de meeste Variscische gesteenten uit kristallijne schisten en intrusieve granieten. Niet-gemetamorfoseerde paleozoïsche sedimenten komen betrekkelijk weinig voor, behalve in de Pyreneeën en Bretagne. Al deze gebieden, in de ondergrond verbonden, vormen een uitgebreid gebied van metamorfe en intrusieve gesteenten.

Het alpine gebergte vormt in Oost-Frankrijk de West-Alpenboog (zie Alpen); daarnaast vindt men alpine geplooide gesteenten aan de noordrand van de Pyreneeën. Ofschoon intensieve plooiing en regionale metamorfose eveneens in de Alpen voorkomen, is dit gebergte toch van geheel andere aard dan het Variscische. Men onderscheidt verscheidene zones in het Franse deel van de Alpen, en wel: a. de Jura, bestaande uit geplooid Mesozoïcum dat over de Trias anhydriet is afgeschoven (decollement); b. de Helvetische zone, die in tegenstelling tot deze zone in Zwitserland niet uit dekbladen, maar uit autochtone plooien bestaat, en c. de Penninische zone, die wel uit dekbladen bestaat en waar de meeste gesteenten in regionaal metamorfe toestand voorkomen. Variscische centrale massieven worden tot de Helvetische zone gerekend. Daarnaast bestaat het alpine gebergte in Frankrijk grotendeels uit mesozoïsche gesteenten. Gesteenten van dezelfde ouderdom vindt men in de Bekkens van Parijs en Aquitanië, waar zij evenwel vrijwel ongeplooid zijn. Deze bekkens vormen de epicontinentale bedekking van het Variscisch grondgebergte, waarop zij dus discordant liggen. In de Alpen is het Variscisch gebergte gedeeltelijk meegeplooid tijdens de alpine orogenese.

                    1.2 Geomorfologie  
 Schematisch onderscheidt men in Frankrijk twee grote delen. Noord- en West-Frankrijk, die deel uitmaken van de West-Europese laagvlakte, worden gekenmerkt door een gematigd reliëf: kustvlakten, brede valleien, grote sedimentaire bekkens met golvend reliëf en heuvelrijen, evenals oude, gedenudeerde kristallijne massieven. Zuid- en Oost-Frankrijk worden getypeerd door hoge reliëfvormen, variërend van oude massieven met min of meer sterk uitgesproken reliëfvormen tot jonge gebergteketens.

Tussen deze hoge reliëfvormen komen belangrijke, in de meeste gevallen noord-zuidgerichte depressies voor.

De oude massieven: a. het Armorikaans Gebergte omvat naast de aan de randen gelegen massieven: Centraal Bretagne (tot 384 m hoog), ‘Bocage normand’ (tot 417 m hoog) en de ‘Gâtine vendienne’ (tot 295 m hoog), bestaande uit harde kristallijne gesteenten. b. De Vogezen zijn aanzienlijk hoger (tot 1426 m), vooral de zuidelijke hoge kristallijne gebergten. c. Het Massif Central (gemiddeld 715 m hoog) is een oud Variscisch vervlakt gebergte met een algemene helling van oost naar west. De kern omvat hoge, versneden kristallijne massieven (Monts du Forez, 1640 m), vulkanische gebergten (Chaîne des Puys) en basaltplateaus (Aubrac, Velay). d. Corsica en de kustmassieven van Maures en Estérel werden door de alpine plooiing zeer sterk opgestuwd en sindsdien door de erosie sterk aangetast, zodat zij een vrij chaotisch reliëf vertonen, dat in Corsica (Monte Cinto, 2710 m) zelfs alpine allures aanneemt. e. De Ardennen omvatten bij de Belgische grens een klein deel van Noordoost-Frankrijk.

De jonge gebergten: a. de Pyreneeën vormen een massieve rechtlijnige keten van 450 km lengte. Slechts een paar toppen overschrijden de 3000 m (Vignemale, 3298 m), terwijl ook de gletsjers zeer beperkt zijn. Het gebergte omvat in hoofdzaak opgestuwde kristallijne massieven. De valleien zijn alle loodrecht op de keten. b. Het Franse deel der Alpen vormt een 350 km lang boogsegment met jonge, hoge reliëfvormen. De noordelijke Alpen vertonen een duidelijk door gletsjers beïnvloede morfologie (Mont Blanc, 4807 m). Zij zijn vochtig en hebben sterke sneeuwval in de winter. De zuidelijke Alpen zijn lager, werden minder door de gletsjers beïnvloed en vertonen een meer onrustig reliëf; zij zijn veel droger. c. De Jura bestaat uit een lagere (meer dan 500 m, maximaal 1723 m hoog), compacte, sikkelvormige keten die zich over 250 km lengte en ca. 60 km breedte van het Massief van de Grande Chartreuse tot Noordoost-Zwitserland uitstrekt. Naast de oostelijke geplooide ketens omvat zij in het westen brede kalkplateaus.

De sedimentaire bekkens: a. Het Bekken van Parijs strekt zich uit over een derde deel van Frankrijk. Het werd opgebouwd door een reeks sedimentaire lagen van wisselende hardheid die aanleiding gaf tot plateaus, cuestaheuvelruggen (côtes) en vlakten. Van het centrum naar de rand toe onderscheidt men het Île de France, de randplateaus uit de Krijtperiode (Champagne, Picardië, Normandië), die uit de Jura (Lorraine, Basse Bourgogne, Berry, Campagne de Caen) en, in het oosten, de plateaus uit de Triastijd (Saulnois). b. Het Bekken van Aquitanië omvat, naast de kalkplateaus van Aunis, Saintonge, Périgord en Quercy ten noorden van de Garonne, de grote door rivieren versneden puinkegel, die zich waaiervormig aan de voet der Pyreneeën uitstrekt (Plateau de Lannemezan, Armagnac) en de uitgestrekte zandvlakte van de Landes.

                    1.3 Hydrografie  
 De meeste Franse stromen ontspringen in het gebergte, vooral in Massif Central, Alpen, Pyreneeën, Vogezen en hoogland van Normandië. Afgezien van een aantal kustrivieren behoort het Franse grondgebied tot zeven grote stroombekkens: die van de Loire, Seine, Garonne, Rhône, Maas, Rijn en Schelde. Men kan drie zones onderscheiden: 1. de Atlantische zone, die het gehele lage gebied tussen Vlaanderen en Aquitanië omvat; de rivieren worden er vooral gevoed door de neerslag en hebben een vrij regelmatig regime; 2. de bergzone, gekenmerkt door een onregelmatig regime met vrij beperkte verdamping en met de hoogste waterstanden in de lente. In Alpen en Pyreneeën zet de hoogwaterstand zich door tot in de zomer, ten gevolge van het smelten der gletsjers; 3. de Middellandse-Zeezone, gekenmerkt door een zeer onregelmatig regime (groot debiet in de winterperiode, zeer lage zomerstanden); bij aanhoudend onweer leidt dit dikwijls tot catastrofale overstromingen. Door een reeks regularisatiewerken tracht men dit gevaar thans te beperken.

                    1.4 Klimaat   Frankrijk vertoont sterke variaties in klimatologische omstandigheden, die samenhangen met de naar het oosten afnemende invloed van de Atlantische Oceaan, de invloed van de Middellandse Zee in het zuidoosten en de aanwezigheid van gebergten.

Ten gevolge van de langzame verwarming in het voorjaar en de langzame afkoeling in het najaar van het zeewater is nabij de kust de temperatuur in het najaar vaak belangrijk hoger dan in het voorjaar. Hoewel het grootste deel van Frankrijk een gematigd klimaat heeft – Cfb volgens Köppen (geen droog seizoen en meer dan vier maanden met een temperatuur tussen 10 en 22 °C) – liggen de waargenomen temperatuurextremen toch ver uiteen: Parijs met een maximumtemperatuur van ca. 40 °C en een absoluut minimum van -16 °C.

De meeste neerslag valt langs de westkust, op vele plaatsen meer dan 1000 mm per jaar, met een maximum in het najaar. De minste neerslag valt in het zuidoosten: Avignon en Marseille, met 600 mm per jaar, waarbij zich zowel in het voor- als in het najaar een maximum vertoont naast een scherp minimum in juli. Overigens wordt de hoeveelheid neerslag voor een belangrijk deel bepaald door de aanwezigheid van gebergten: Biarritz aan de voet van de Pyreneeën met bijna 1500 mm per jaar en Annecy in de Alpen met bijna 1300. Sneeuw van betekenis komt bijna uitsluitend in het gebergte voor: in de Pyreneeën ligt op 2500 m hoogte gedurende ruim 200 dagen per jaar een sneeuwdek.

Het zonneschijnpercentage neemt in het algemeen naar de Middellandse-Zeekust toe, vooral gedurende de zomermaanden.

De windrichting is overwegend westelijk met echter daarnaast een voorkeur voor noordelijke richtingen. Tijdens noordelijke wind komt in het Rhônedal de mistral tot ontwikkeling. Andere lokale winden zijn de föhnachtige autan en de koude noordelijke bise.

                    1.5 Plantengroei   De rijke en afwisselende flora (meer dan 4000 soorten hogere planten) en vegetatie van Frankrijk kunnen in vier hoofdgebieden worden verdeeld: Atlantisch, Midden-Europees, alpine en mediterraan; vooral de eerste twee gaan zeer geleidelijk in elkaar over. Beneden de boomgrens (in de Pyreneeën op 2500 m, Franse Alpen 1900 m, Auvergne 1500 m, Vogezen 1100 m) was Frankrijk oorspronkelijk vrijwel geheel met bos bedekt, thans voor ca. een vierde; grote wouden vindt men nog in het Bekken van Parijs (Fontainebleau, Compiègne), in Normandië, en bij Orléans. In vlakte en heuvelland van het Atlantische en Midden-Europese gebied bestaat het woud uit loofbos: eikenberkenbos op armere gronden, eikenhaagbeukenbos op voedselrijke gronden, beukenbos in de opgaande oude domaniale wouden, elzen-iepen-essenbossen in de rivierdalen. Waar geen bos meer is, vallen in het Atlantische gebied vooral de heiden op, waarin gaspeldoornsoorten en rode dopheide overwegen. De duinen met hun karakteristieke plantengroei zijn vooral goed ontwikkeld in het noorden, op Cotentin, in Charente-Maritime en in Les Landes (daar veelal bebost met zeeden). Beroemd zijn de orchideeënrijke kalkhellinggraslanden, door geheel Frankrijk verspreid. In de gebergten vindt men, van laag naar hoog: gordels van beukenwoud, beuken-sparrenwoud, fijnsparrenwoud (eventueel met lork) en de alpine zone.

De mediterrane flora en vegetatie in het uiterste zuiden heeft een geheel eigen karakter. Het oorspronkelijke steeneikenbos is nagenoeg verdwenen en vervangen door maquis (altijdgroen doornstruweel), garrigue (een heideachtige vegetatie met o.a. dwergeik, lavendel en rozemarijn), olijfbossen, wijngaarden en cultures van vijg en amandel, aan de Côte d'Azur van sinaasappelen en citroenen.

                    1.6 Dierenwereld   De dierenwereld van Frankrijk sluit aan bij die van West-, Midden- en Zuid-Europa. Alpine vormen treden op in de West-Alpen en Pyreneeën; de kusten van Atlantische Oceaan en Middellandse Zee hebben totaal verschillende fauna's, vnl. vanwege de sterke temperatuurverschillen in zee. Door de grote uitgestrektheid van het gebied treft men een aantal verschillende elementen onder de dierenwereld aan. De genetkat bereikt in Frankrijk zijn noordgrens; de broedplaatsen van de flamingo in de Camargue (Rhônedelta) zijn de noordelijkste in Europa en het Middellandse-Zeegebied. Een ongebreidelde jacht op alle mogelijke soorten van wild en vogels heeft bijgedragen tot de verarming van de fauna; nationale parken en reservaten zijn nog te gering in aantal om het voortbestaan van talloze zeldzaam geworden soorten te waarborgen.

                   2. BEVOLKING                    2.1 Samenstelling en spreiding  
 Het inwonertal nam in de 19de en in begin 20ste eeuw zeer langzaam toe. Tussen de beide wereldoorlogen kende men zelfs jaren met een duidelijke bevolkingsvermindering. Na 1945 nam de bevolking weer sterk toe, mede dankzij een krachtige demografische politiek, de vooruitgang in de gezondheidszorg en de uitbreiding van de sociale voorzieningen. Vanaf het midden van de jaren zestig nam de bevolkingsgroei sterk af. Sinds 1977 is er sprake van een lichte toename. In 1992 was het geboortecijfer 13‰ en het sterftecijfer 9‰. De levensverwachting bij geboorte was voor vrouwen 81 jaar en voor mannen ruim 73 jaar. Naast de natuurlijke bevolkingstoename is een aanzienlijk deel van de toename toe te schrijven aan de immigratie van buitenlanders (m.n. Algerijnen, Portugezen, Italianen, Spanjaarden, vluchtelingen uit Frans-Afrika en Marokkanen). Hun aantal maakte in 1990 6,3% van de totale bevolking uit; de meesten (85%) wonen in Parijs en omstreken, in de regio Rhône-Alpes en op Corsica.


Regionaal was de demografische groei zeer uiteenlopend. Noord-Frankrijk vertoont traditioneel een veel sterkere natuurlijke groei dan Zuid-Frankrijk. De gemiddelde bevolkingsdichtheid bedroeg in 1994 106 inw. per km2, maar de bevolking is zeer ongelijk verspreid. Naast dunbevolkte, meestal centraal gelegen gebieden, zoals het Massif Central, de plateaus van het Parijse Bekken, Les Landes en het hooggebergte, zijn er dichtbevolkte gebieden, die vrij periferisch gelegen zijn, zoals de departementen Ville de Paris, Nord, Rhône, Val de Marne en Hauts-de-Seine. Het betreft hetzij zones met intensieve landbouw, hetzij, en vooral, industriële en stedelijke zones. Driekwart van de bevolking woont in de stad, m.n. in Parijs (ca. 20%). Het overwicht van Parijs heeft een grote weerslag op de economie. Door de vorming van ‘métropoles d'équilibre’ (Nantes, Lille, Nancy, Strasbourg, Marseille, Bordeaux, Toulouse en Lyon) heeft men getracht het evenwicht in Frankrijk te herstellen en de groei van Parijs af te remmen.

                    2.2 Taal  
 Officiële taal is het Frans, daarnaast wordt door minderheden Bretons gesproken, Occitaans (het zuiden), Baskisch (in de westelijke Pyreneeën), Duits (Elzas-Lotharingen), Nederlands (Frans Vlaanderen), Catalaans (Roussillon), Italiaans (rond Nice), Corsicaans (op Corsica). Zie voorts Franse taal.

                    2.3 Religie   De bevolking is voor ca. 80% rooms-katholiek, voor 4,5% islamitisch (overwegend soennitisch) en voorts zijn er kleine minderheden van protestanten, joden en Armeens-christelijken. Sinds de herroeping van het Edict van Nantes in 1685 door Lodewijk XIV was het katholicisme staatsgodsdienst. Sinds de scheiding van kerk en staat in 1905 heeft de staat geen enkele bemoeienis meer met de hiërarchie. De bisschoppen worden door Rome benoemd (alleen voor die van Elzas en Lotharingen geldt, wegens hun aansluiting bij Duitsland van 1870 tot 1918, een oud concordaat). De Rooms-Katholieke Kerk heeft in Frankrijk achttien kerkprovincies en in totaal 95 bisdommen.

Protestantisme. Na de Bartholomeüsnacht (1572) was de kracht van het protestantisme in Frankrijk gebroken (zie hugenoten). Door de wet van 1802 werden de protestantse kerken erkend. De voornaamste zijn: de Église Réformée de France, de Église de la Confession d'Augsburg d'Alsace et de Lorraine, de Église évangélique luthérienne en de Église réformée d'Alsace et de Lorraine. Sinds 1905 bestaat een federatie van protestantse kerken (gereformeerden, lutheranen, baptisten, methodisten, vrije kerken): de Fédération protestante de France. Protestantse theologische faculteiten voor de opleiding van predikanten zijn gevestigd te Aix-en-Provence, Montpellier, Parijs en Straatsburg; de laatste twee zijn interconfessionele faculteiten. De invloed van de protestanten in Frankrijk is relatief groot.

                   3. BESTUUR EN SAMENLEVING                 3.1 Staatsinrichting  
 Volgens de grondwet van 1958 (aangevuld per referendum in 1962) is Frankrijk een parlementaire republiek waarvan de door het volk bij algemeen stemrecht rechtstreeks voor zeven jaar gekozen president uitgebreide volmachten bezit. Hij vaardigt de door het parlement of door het volk (in geval van referendum) aangenomen wetten uit, tekent de besluiten van de ministerraad, die hij voorzit, benoemt de eerste-minister en kan in geval van nood het geheel van de wetgevende en uitvoerende macht tot zich trekken en de ontbinding der Nationale Vergadering uitspreken. De regering, aangevoerd door de eerste-minister, wordt op diens voorstel benoemd door de president. Zij bepaalt en geeft uitvoering aan de algemene politiek van de natie. Zij is verantwoording verschuldigd aan de Nationale Vergadering.

De wetgevende macht wordt uitgeoefend door het parlement, dat uit twee kamers bestaat: de rechtstreeks voor vijf jaar gekozen Nationale Vergadering (Assemblée nationale), die 577 leden telt (van wie 22 uit de overzeese departementen en gebiedsdelen) en de niet rechtstreeks (in hoofdzaak door de leden van de conseils généraux – de departementale raden – en de gemeenteraden) gekozen en met minder bevoegdheden beklede senaat, die 321 leden telt (12 vertegenwoordigers van de Fransen in het buitenland en 13 voor de overzeese departementen en gebiedsdelen); de leden hebben negen jaar zitting; om de drie jaar wordt de senaat voor een derde vernieuwd. Stemrecht hebben alle Franse staatsburgers vanaf 18 jaar. Om gekozen te worden voor de Nationale Vergadering moet men minimaal 23 jaar zijn; voor de senaat is dat 35 jaar. Zie ook §3.4: politieke organisatie.

                    3.2 Administratieve indeling   De Franse staat telt 22 regio's, die verdeeld zijn in 96 departementen. Het land kent verder: vier overzeese departementen, de ‘Départements d'Outre-Mer’ (DOM): Frans Guyana, Guadeloupe, Martinique en Réunion; drie overzeese gebiedsdelen, de ‘Territoires d'Outre-Mer’ (TOM): Frans Polynesië, de Wallis en Futuna-eilanden en Nieuw Caledonië; de twee overzeese ‘collectivités territoriales’ Mayotte en St-Pierre-en-Miquelon en enkele gebieden op de zuidpool, ‘Les Terres Australes et Antarctiques Françaises (TAAF). De prefet,  die aan het hoofd van iedere regio en ieder departement staat, is de vertegenwoordiger van de regering en van iedere afzonderlijke minister. De departementen zijn verdeeld in arrondissementen (325), met aan het hoofd een sous-prefet; de arrondissementen zijn verdeeld in kantons (3714) en deze op hun beurt in 36 433 gemeenten (90% van de gemeenten telt minder dan 2000 inw.). De arrondissementen en kantons hebben slechts administratieve betekenis.

Frankrijk heeft vanouds een sterk gecentraliseerde bestuursvorm. Om het bestuur beter te doen functioneren zijn tussen 1982 en 1988 verschillende decentralisatiewetten ingevoerd teneinde een herverdeling van taken en bevoegdheden te bewerkstelligen. De regio's hebben een kwaliteit van ‘collectivité territoriale’ gekregen: publiekrechtelijke rechtspersonen met een uitgebreid pakket eigen rechten en verplichtingen. Verder voorziet de wet in de overdracht van executieve bevoegdheden van de prefet de la région en de prefet aan de voorzitters van resp. plaatselijk gekozen regionale raden (conseils régionaux) en departementale raden (conseils généraux). De regio Corsica heeft sinds 1981 een aparte status.

                    3.3 Lidmaatschap van internationale organisaties   Frankrijk is lid van de Verenigde Naties (en permanent lid van de Veiligheidsraad) en een aantal van haar suborganisaties (het hoofdkwartier van de onderwijsorganisatie van de Verenigde Naties, UNESCO, is in Parijs gevestigd), de EU, de Raad van Europa, de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO; hoofdkwartier in Parijs), de Wereld Handels Organisatie (WTO)en de NAVO. In 1966 heeft Frankrijk de beschikbaarstelling van zijn strijdkrachten aan het geallieerd NAVO-commando beëindigd; wel bleef Frankrijk politiek lid van de NAVO. Na de Koude Oorlog kwamen gesprekken tussen Frankrijk en de NAVO op gang en werd afgesproken dat het land betrokken zou worden in besprekingen over de nieuwe doelstellingen van de NAVO. Sindsdien participeert Frankrijk weer in een aantal NAVO-overleginstanties.

                    3.4 Politieke organisatie; partijwezen; vakbeweging   Kamer- en presidentsverkiezingen voltrekken zich in twee ronden. Wanneer de kandidaat in de eerste ronde meer dan 50% van de stemmen in zijn kiesdistrict op zich weet te verenigen, is hij direct gekozen. Slaagt hij daarin niet, dan volgt een tweede ronde waarin een enkelvoudige meerderheid voldoende is. Bij de presidentsverkiezingen kunnen alleen twee kandidaten die de meeste stemmen hebben behaald tijdens de eerste ronde, meedoen aan de tweede ronde. Voorwaarde bij de parlementsverkiezingen is dat de kandidaat in de eerste ronde ten minste 12,5% van de stemmen heeft behaald.

De invoering van rechtstreekse presidentsverkiezingen heeft een hergroepering van de grote politieke formaties en een polarisatie van de politieke strijd tot gevolg gehad.

Van de talrijke partijen en bewegingen zijn de belangrijkste ter linkerzijde de Parti Socialiste (PS), de Parti Communiste Français (PCF) en de Parti Radical de Gauche (PRG), voortgekomen uit de Mouvement des Radicaux (MRG).

De PS, in 1969 ontstaan uit een samengaan van verschillende socialistische partijen, staat een gematigd socialisme voor.

De PCF, opgericht in 1920, kende haar bloeitijd tussen 1968, toen zij zich van ‘Moskou’ afkeerde ten gunste van het zgn. ‘eurocommunisme’, en 1984 toen er door een breuk met de PS een einde kwam aan haar regeringsverantwoordelijkheid. Na de val van de communistische regimes in Oost-Europa in 1989 kwam de partij onder grote druk te staan.

De PRG hecht aan een humanistisch socialisme.

De belangrijkste partijen ter rechterzijde zijn de Rassemblement pour la République (RPR), de Parti Républicain (PR) en het Centre des Démocrates Sociaux (CDS). De RPR is de eind 1976 door Jacques René Chirac opgerichte opvolgster van de gaullistische UDR en steunt vooral op de oudere conservatieve kiezers. De PR (tot 1977 Républicains Indépendants) werd opgericht door Valéry Giscard d'Estaing in 1966 en volgt een gematigder, meer pragmatische koers dan de RPR. De CDS, ontstaan in 1976 uit een fusie van het Centre Démocrate en het Centre Démocratie et Progrès, draagt als bijnaam de ‘Unie van het midden’.

De centrumpartijen vormden begin 1978 de Union pour la Démocratie Française (UDF), samengesteld uit de PR, het CDS en een deel van de Parti Radicale Socialiste (PRS). Het Front National (FN) van Jean-Marie Le Pen, opgericht in 1972, is een extreem-rechtse politieke partij, die vooral sedert het midden van de jaren tachtig een politieke machtsfactor is geworden. Bij de parlementsverkiezingen van 1997 leed zij echter een gevoelige nederlaag en wist zij slechts één zetel te bemachtigen. In 1998 kwam het tot een splitsing: de door Jean-Marie Le Pen geschorste Bruno Mégret richtte de Mouvement National op. Les Verts (De Groenen), in 1984 ontstaan uit het samengaan van de Confédération Écologiste en de Parti Écologiste, staan een politiek voor die ecologie als uitgangspunt heeft.

Slechts 10% van het werkende deel van de bevolking is aangesloten bij een vakbond. De grootste vakbond is de Confédération Générale du Travail (CGT) met 855 000 leden. De Force Ouvrière splitste zich in 1947 af van de CGT. Haar leden (ca. 1 miljoen) zijn vnl. socialisten en links-radicalen. De Force Ouvrière is de meest gematigde van de grote vakbonden. De derde grote vakbond is de Confédération Française Démocratique du Travail (CFDT), de sinds 1964 geseculariseerde voortzetting van de Confédération Française des Travailleurs Chrétiens (CFTC; opgericht in 1919), met 558 000 leden. Als kleinere verenigingen moeten nog de Fédération de l’Éducation nationale met 395 000 leden worden genoemd (Vereniging van leraren) en de christelijke kern van de zelfstandig voortbestaande CFTC met 260 000 leden. Ook boeren en leidinggevende functionarissen beschikken over eigen organisaties.

                   4. ECONOMIE                    4.1 Inleiding   De industriële ontwikkeling kwam in Frankrijk pas laat op gang en tot de Tweede Wereldoorlog waren alle bedrijfstakken ondergeschikt aan de landbouw. Een belangrijke wijziging in de economische politiek na 1945 vormde de instelling van een algemeen planbureau, waardoor de invloed van de overheid sterk toenam. De door het planbureau opgestelde plannen moeten door het parlement worden goedgekeurd en dienen m.n. als kader voor het particuliere en publieke investeringsbeleid. Zo werd in 1945 de nationalisatie van de energiesector, de vier grote bankinstellingen, de grote verzekeringsorganisaties en de automobielfabriek Renault doorgevoerd. De Franse staat legde ook de hand op het openbaar vervoer. De relatief geringe schade tijdens de Tweede Wereldoorlog werd, mede dankzij de Marshallhulp, snel overwonnen. De Franse staat voerde een krachtige expansiepolitiek, al ging dit gepaard met een stijgende inflatie en devaluatie van de franc. De integratie in Europa (EGKS 1951, EEG 1957), de planpolitiek waarin overheid, particulier bedrijfsleven en vakbeweging nauw samenwerken en het fiscale beleid dat investeringen aanmoedigt, leidden tezamen tot een sterke groei van de industrie (m.n. de mijnbouw, metaalverwerking, elektronica en petrochemische industrie); de bedrijven, voor zover niet genationaliseerd, bereikten door concentraties Europees formaat. Sinds 1945 is de industriële productie snel gestegen. Tussen 1970 en 1980 was er, ondanks de teruggang in 1975 als gevolg van de internationale recessie, sprake van een productiestijging van 33%. In de jaren 1980–1982 stagneerde de groei. Evenals de meeste industrielanden had Frankrijk in de jaren tachtig te kampen met hoge inflatiepercentages, massale werkloosheid en een dalende vraag. De nationalisaties van 1982 (o.a. Matra, Saint-Gobain en Bull) moesten Frankrijk de middelen verschaffen om een coherent industriebeleid te voeren en om machtsconcentraties te beperken. Een vijfjarenplan, opgesteld in 1986, beoogde 65 staatsbedrijven (waaronder in 1982 genationaliseerde bedrijven) te privatiseren. Met de verkoop van staatsbedrijven hoopte men de staatsschuld te verminderen. Zowel stagnatie in de industrie als herstructurering van genationaliseerde bedrijven leidde tot een toename van de werkloosheid (in 1997: ruim 12%). Aan het eind van de jaren tachtig trad echter een onverwacht gunstige conjunctuurontwikkeling op, veroorzaakt door een goede financieringspolitiek, dalende olieprijzen en belastingverlichting. De economische groei bedroeg van 1990 tot 1994 0,8%. In 1998 was deze gestegen tot 3%, terwijl de inflatie tot onder de 1% daalde.

De verdeling van de beroepsbevolking over de verschillende economische sectoren (1994) is: landbouw: 5%; industrie: 27% en dienstensector: 68%. Vrouwen maken bijna de helft van de beroepsbevolking uit, buitenlandse werknemers ruim 6%.

                    4.2 Landbouw, veehouderij, bosbouw en visserij  
 Frankrijk bezit met 320 000 km2 cultuurgrond (ca. 60% van de totale landoppervlakte) het grootste landbouwareaal in de EU (eenderde van alle landbouwgrond in de EU). Hiervan is 58% akkerland, ruim 37% blijvend grasland en bijna 5% is bedekt met blijvende gewassen (fruit, olijven, wijngaarden). Teeltverbetering, uitbreiding van de bedrijfsgrootte (o.a. door herverkaveling en coöperaties) en mechanisatie vormen een belangrijke bijdrage tot de productiestijging per ha. Het streven is de gemiddelde bedrijfsgrootte (ca. 30 ha in 1988) verder op te voeren door uitkoop van kleine bedrijfjes (in 1990 waren er 924 000 boerenbedrijven, 600 000 minder dan in 1970). Ruim de helft van alle agrarische bedrijven wordt in eigendom bewerkt.

De vruchtbaarste landbouwzones komen voor op de leemplateaus van het Bekken van Parijs en in het noorden (tarwe, suikerbieten, koolzaad, vlas). Ook de Elzas, de grote riviervalleien en de geïrrigeerde zones van het zuiden zijn rijke landbouwgebieden. Hop wordt vooral in de Elzas en in Frans-Vlaanderen geteeld. Cultuur van haver en gerst is meer verspreid; behalve in de hierboven genoemde gebieden is zij ook elders in Noord-Frankrijk belangrijk (o.a. plaatselijk in Bretagne). Maïs wordt verbouwd in Languedoc en Aquitanië, rijst (sterk teruggelopen in de jaren zeventig) in de Camargue. Tuinbouw en wijngaarden zijn vooral gelokaliseerd in de valleien van Loire, Garonne, Rhône en langs de Middellandse-Zeekust. Tuinbouw komt bovendien ook voor rond Parijs, in de kuststreken van Bretagne, in de Elzas en Frans-Vlaanderen. De Franse wijnverbouw omvat hoogwaardige wijnen (zie Franse wijnen). Frankrijk neemt een belangrijke plaats in op de wereldranglijst van producenten van tarwe (zesde), gerst (vijfde), suiker (zesde) en wijn (eerste).

Veehouderij. Frankrijk is de grootste vlees- en zuivelproducent in Europa. Veehouderij is verspreid over het hele land. Runderen vindt men vooral in de Atlantische zone: Normandië, Bretagne, Picardië en Frans-Vlaanderen. Ook de randgebieden van het Massif Central zijn belangrijke rundveestreken. De schapenhouderij, die vooral in het Massif Central, rond de Rhônemonding en in de Pyreneeën beoefend wordt, is belangrijk èn voor het vlees èn voor de kaas.

Algemeen is er ook in de veehouderij een sterke tendens tot mechanisatie, uitbreiding der landbouwcoöperaties en herverkaveling, terwijl grootscheepse irrigatiewerken (o.a. de Languedoc, Basse Durance, Rhônevallei) de landbouw van het mediterrane gebied hervormen.

Bosbouw. De oppervlakte bos neemt geleidelijk toe door bebossing van woeste gronden, verlaten akkers en berggebieden en omvatte in 1995 27% van het totale landoppervlak. Tevens wordt het bestaande bosbestand verbeterd. Ongeveer tweederde deel van het bos bestaat uit loofbomen. De aanplant van naaldbomen wordt snel uitgebreid wegens het hoger rendement. Een derde van de beboste grond staat onder toezicht van de staat; de rest is in handen van particulieren en is als gevolg van verspreide ligging niet geschikt voor exploitatie. Er werken 550 000 mensen in de bosbouw en de houtindustrie.

Visserij. Ondanks de uitgestrekte kust vormt de visserij geen belangrijke sector van de economie. Europese richtlijnen (vangstquota) verhinderen een uitbreiding. Visserij geeft slechts aan 0,1% van de totale beroepsbevolking werk. Zij omvat naast kustvisvangst ook, maar in steeds mindere mate, diepzeevangsten. De voornaamste havens zijn voor de Noordzee en Het Kanaal: Boulogne, Fécamp, Dieppe; voor Bretagne: Concarneau, Lorient, Douarnenez-Camaret; voor de Golf van Biskaje: La Rochelle, Bayonne; voor de Middellandse Zee: Sète. De oesterkwekerijen kennen een sterke uitbreiding, o.a. Arcachon, Marennes, Morbihan, Bouzigues. Mosselen in o.a. de Charente-Maritime (Baie de l'Aiguillon).

                    4.3 Mijnbouw en energievoorziening   De kolenmijnen zijn sinds 1946 genationaliseerd en daarna sterk gemoderniseerd. Meer dan 60% van de kolen wordt geleverd door het Bekken van Lotharingen, ca. een kwart door de kleine bekkens in Zuid- en Midden-Frankrijk (vooral rond het Massif Central) en de rest door het Bekken van het Noorden en Pas de Calais (voorheen het belangrijkste bekken). Als gevolg van het verminderde rendement en de ontwikkelingen op het gebied van kernenergie wordt de productie geleidelijk afgebouwd (in 1976 nog 22 miljoen ton, in 1987 16 miljoen ton; voor 1995 geschat op 9 miljoen ton). Daarnaast wordt jaarlijks ca. 15 miljoen ton ingevoerd.

De (kleine) aardolieproductie is grotendeels afkomstig van de velden van Parentis-en-Born in Les Landes, voorts uit het Bekken van Parijs. De productie van aardgas (Lacq) stagneert na een jarenlange sterke stijging. Een daling wordt voorzien, indien op korte termijn geen nieuwe gasbellen worden ontdekt. Het gas wordt vnl. verdeeld in Zuidwest-Frankrijk.

Frankrijk is lange tijd de belangrijkste ijzerproducent van Europa geweest, vooral dankzij de ijzerertsformaties in Lotharingen. De productie is echter sterk gedaald (1970: ca. 56 miljoen ton, 1995:  1,5 miljoen ton) als gevolg van een tekort aan afzetmarkten en concurrentie van veel rijkere ijzerertsformaties in overzeese gebieden en in Zweden. Naast een geringe productie van zinkerts en looderts (Pyreneeën, Alpen), uraanerts (Massif Central en Bretagne) en andere minder belangrijke grondstoffen heeft Frankrijk een belangrijke productie van aluminiumerts in de Provence (Frankrijk is na Duitsland de belangrijkste producent van aluminium in de EEG), kaliumzouten in de Elzas en klipzout (Lotharingen, Franche-Comté).

Energievoorziening. De elektriciteitsproductie is sterk gestegen. Nog maar 10% van de elektrische energie is afkomstig van thermische centrales, ca. 20% van waterkrachtcentrales en ruim 70% van kerncentrales. Voor de levering van aardolie is Frankrijk sterk afhankelijk van het Midden-Oosten, voor aardgas van Algerije (36%) en Nederland (14%), voor kolen van Duitsland, Polen en Zuid-Afrika. Om in de toekomst zoveel mogelijk zelfstandig in zijn energiebehoefte te kunnen voorzien heeft Frankrijk de ontwikkeling van kernenergie een hoge prioriteit gegeven en is door een versneld uitgevoerd energieprogramma het gebruik van kernenergie snel toegenomen.

                    4.4 Industrie   Na een fase van exceptionele groei in de jaren zestig (verdubbeling van de productie) kreeg de industrie, evenals andere sectoren van de economie, te lijden van de crisis. Niettemin steeg de industriële productie mede door de sterk gepropageerde schaalvergroting. De belangrijkste industriegebieden liggen in het noordoosten, ten oosten van de lijn Le Havre–Marseille. Het Parijse stadsgewest is een groot centrum van de verwerkende industrie (auto's, elektrisch en elektronisch materiaal, farmaceutische en fotografische producten). Naast de researchlaboratoria, de ‘haute couture’, de ‘articles de Paris’ (sieraden, juwelen, parfums) en de uitgeverijen zijn ook de voedingsmiddelen- en de verwerkende metaal- en de meubelindustrie er bijzonder goed vertegenwoordigd. De industriegebieden van het noorden en noordoosten (Elzas-Lotharingen) zijn de belangrijkste centra van zware metallurgie, tevens van chemische industrie. De textielindustrie heeft er een oude traditie.

Als derde groot Frans industriegebied fungeert rond Lyon het gebied van Rhône en Alpen. Het oude textielgebied rond Lyon en de oude steenkool- en metallurgiekernen van St-Étienne en Le Creusot kennen een nieuwe ontwikkeling dankzij uitbreiding van de metaalconstructie en (organische) chemische industrie en vooral de goedkope waterkrachtenergie, die in de Alpen de stoot gaf tot moderne elektrochemische en elektrometallurgische bedrijven.

Secundaire industriezones zijn die aan de Middellandse-Zeekust, waar zoutpannen, bauxietmijnen, het aardoliecomplex van Berre en de oude vetstofverwerkende industrie de basis vormen voor een moderne chemische en aluminiumindustrie; er is voorts metaalconstructie, scheepsbouw en meststofproductie. Zuidwest-Aquitanië is een groeiend industriegebied dankzij de elektrochemische en metallurgische bedrijven in de Pyreneeën, de chemische bedrijven van Lacq en de vliegtuigbouw van Toulouse. In Bretagne zijn naast de oude voedingsnijverheid en scheepsbouw ook de auto-industrie en de elektronische constructie sterk uitgebreid. De Franse regering tracht de decentralisatie te bevorderen.

In 1984 is een hervormingsplan voor de Franse industrie afgekondigd. Dit plan voorziet o.a. in subsidiemaatregelen voor bedrijven die zich in stimuleringsgebieden vestigen en arbeidsplaatsen creëren.

Frankrijk telt talrijke textielgebieden. Het noorden is het belangrijkste centrum voor de wol- en vlasweefsels, maar is ook een belangrijke katoenproducent. De Vogezen (Mulhouse) en de streek van de Beneden-Seine (Rouen) zijn vooral gespecialiseerd in katoen. Lyon is het grote productiegebied van de synthetische en kunstmatige vezelverwerking. In de Languedoc is Mazamet een gespecialiseerde producent van wollen weefsels. De textielindustrie is overigens in de jaren zeventig verder achteruitgegaan. Confectie is naast Parijs en het noorden verspreid over alle grote centra en vormt een belangrijk uitvoerproduct. De uiterst gediversifieerde metaalconstructie omvat vooral productie van auto's (Parijs c.a., Bretagne, Lyon, Noord-Jura en sinds de jaren tachtig, in het kader van de industriële herstructurering, in het noorden en in Lotharingen om zodoende nieuwe arbeidsplaatsen te creëren na het verval van de ertswinning), scheepsbouw (St-Nazaire, Bordeaux, Le Havre, Duinkerke, omgeving Marseille), vliegtuigbouw (Parijs, Toulouse, Nice), elektrisch materiaal, o.m. Compagnie Générale d’Électricité