|

Frankrijk
informatie
Frankrijk
is een land van tegenstellingen: in het zuiden worden
rijst en bananen verbouwd; in de eertijds Duitse Elzas
brouwt men bier; in het zuidoosten liggen de ruim 750 m
diepe Gorges de Verdon, terwijl het vlakke landschap in
het noordwesten één geheel met Vlaanderen vormt; en de
rijke wijngaarden van Bourgogne contrasteren weer sterk
met het ruige en woeste Bretonse schiereiland.
Voor
velen zal de enorme ruimte van het land een van de
grootste attracties van een bezoek aan Frankrijk vormen.
Aangezien het betrekkelijk dun bevolkt is, liggen de
steden op grote afstand van elkaar en zodra men de grote
wooncentra verlaat, zal men slechts weinig
en dan nog zeer verspreide dorpen aantreffen.
Sedert de Tweede Wereldoorlog zijn er veel mensen van
het platteland naar de grote steden getrokken. Dit geldt
vooral voor gebieden als Bretagne, Auvergne, de Alpen en
de Pyreneeën, waar mechanisatie van het boerenbedrijf
moeilijk of onmogelijk is. Men vindt er onbewoonde,
vervallen boerderijen die in toenemende mate een functie
gaan vervullen als tweede woning, ook voor Nederlanders.
Frankrijk heeft ongeveer 53 miljoen inwoners. 1/5 deel
hiervan woont in of in de directe omgeving van de
hoofdstad Parijs.(12 miljoen) De meeste mensen in
Frankrijk zijn Katholiek.
Het land is verdeelt in 95 Departementen en 4 overzeese
gebiedsdelen.(Guadeloupe, Guyana, Martinique en RJ union.
In de Romeinse tijd werd het Galie genoemd. Aan de
westkant van het land ligt de Atlantische Oceaan en aan
de zuidkant de Middellandse Zee.
Tot 1789 was Frankrijk een koninkrijk. Bekende koningen
zijn Lodewijk de 14de en 16de. Zeer belangrijk voor de
tijd na het koninkrijk was Napoleon.
Sinds 1970 is het een republiek. In het noorden zijn veel
kolenmijnen en er is ook aardgas.
Frankrijk is het derde toeristische land in Europa.
De
bevolking
De 50 miljoen Fransen die ervan beschuldigd worden
verwaand en aanmatigend te zijn, zijn waarschijnlijk het
meest miskende volk van de wereld. Zodra men hen neemt
zoals ze zijn, blijken zij hartelijk, vrien
delijk, behulpzaam en
vooral op het platteland
gastvrij te zijn.
Eten
en drinken
Frankrijk is een van de vruchtbaarste landen ter wereld en
het voedsel van de rijke bodem wordt door inventieve
koks dagelijks tot feestmalen omgetoverd. Maar als koken
in Frankrijk een ambacht is, dan is eten er een kunst.
Het zal dan ook niet vaak voorkomen dat u er slecht te
eten krijgt. Gaat u niet teveel af op het uiterlijk van
de diverse eetgelegenheden. In de steden kan men
behoorlijk eten in de stationsrestauraties die zich
specialiseren in de gerechten uit de streek. En wanneer
u ergens langs de weg een vrachtwagenchauffeur ziet
stoppen om bij een van de 'Routiers' te gaan eten, dan
kunt u zijn voorbeeld gerust volgen. Overigens is het
ook mogelijk om elke dag heerlijk te piknikken met
broodjes en vleeswaren uit de plaatselijke patisserie en
charcuterie.
Wij kunnen ons Frankrijk moeilijk voorstellen zonder de
wijngaarden die jaarlijks ongeveer 60 miljoen hectoliter
wijn opleveren. De betere wijnen dragen de naam van het
chateau of de wijngaard waar zij gebotteld werden en ze
zijn niet goedkoop, maar de vin ordinaire (landwijn) is
soms goedkoper dan melk. De wijngebieden zijn even
verschillend als de wijn die er geproduceerd wordt. De
beste tijd voor een bezoek is in de herfst, wanneer door
het hele land de druivenoogst
de vendange
wordt gevierd. Het is echter het hele jaar door
de moeite waard de wijnstreken te bezoeken, want ieder
gebied heeft zijn eigen 'wijnroute', zijn wijnmuseum en
bovendien de kelders waar de wijn kan worden geproefd.
Badplaatsen
en sport
Frankrijk beschikt over drie verschillende kustgebieden:
de Kanaalkust in het noorden, de Atlantische kust in het
westen en de zuidelijke MiddellandseZeekust. Deze kusten
zijn eik voor zich zeer verscheiden. Picardië, Normandië
en Bretagne liggen bijvoorbeeld alle drie aan het Kanaal
en zijn toch alle drie weer anders. Drie kusten, drie
zeeën en drie klimaten; samen beslaan ze een afstand
van ongeveer 4 500 km, met wijde baaien, diep in het
land dringende kreken en riviermonden en met dennen
omzoomde zandstranden. Dit alles afgewisseld met 350
grote badplaatsen en wel drie maal zoveel kleinere. Voeg
hier nog bij 100 kuuroorden en 120 vakantieoorden in de
bergen en u zult begrijpen dat Frankrijk aan ieders
smaak kan voldoen.
Na het midden van september kunnen weekendwandelingen in
de bossen gevaarlijk zijn, vooral in het zuiden, want
dan is het jachtseizoen in volle gang. Rijen mannen die
met het geweer in de aanslag door een bietenveld
trekken, of langs de kant van de weg opgesteld zijn, met
hun honden roerloos van opwinding naast zich, leveren
een vertrouwde aanblik op. De jacht bereikt dan zo'n
koortsachtige hoogte, dat broers en vrienden maar al te
vaak voor een fazant of merel worden aangezien en door
een schot hagel getroffen worden. De jacht varieert van
het schieten op wilde eenden in de Camargue tot wilde
zwijnen in het Massif Central.
In de Alpen, de Pyreneeën en de bergen van Auvergne
worden de mogelijkheden tot skiën en bergbeklimmen
steeds groter. De laatste tijd wordt er ook op de
bergmeren veel aan watersport gedaan.
Verblijfsaccommodatie
en vervoer.
De hoofdwegen in Frankrijk zijn goed. Vanuit Nederland is
er een vierbaansautoweg via Antwerpen en Rijssel om
Parijs heen tot de Cote d'Azur. Tegen betaling van
tolgeld kan men van deze snelle doorgaande verbinding
gebruik maken.
Frankrijk is nu eenmaal een groot land; daarom kan het
afleggen van langere afstanden eentonig worden en
bepaalde streken zullen zo op het oog niet erg
aantrekkelijk lijken. In zulke gevallen bieden de Franse
spoorwegen uitkomst met de autoslaaptreinen; dit zijn
sneltreinen waarin men ook vanuit ons land, met de auto,
vervoerd kan worden naar Biarritz, Toulouse, Narbonne,
Avignon en Lyon. Een spoorwegnet van in totaal zo'n 40
000 km doet 5000 stations aan. De treinen rijden
bijzonder punctueel en de diensten zijn zo uitgebreid
dat zij grotendeels het busverkeer op lange afstand
vervangen. Dit geldt echter niet voor het plaatselijke
busverkeer dat de dienst onderhoudt tussen de stations
aan deze spoorwegen en het achterland. Langs de wegen
vindt men meer dan 14 000 hotels die voldoen aan de
strikte eisen die de Franse regering stelt. A1 deze
hotels zijn wettelijk verplicht in al hun kamers een
kaartje met de prijs van deze kamer op te hangen en geen
enkel Franse hotelier zal
er bezwaar tegen maken als een gast de kamer eerst wil
bekijken.
Frankrijk
INTRODUCTIE
Frankrijk (La France; officieel: République
française), republiek in West-Europa, 543 965
km2, met 58 miljoen
inw. (107 inw. per km2); hoofdstad: Parijs. De Franse staat omvat,
naast Europees Frankrijk als integrerend deel, de
overzeese departementen: Guadeloupe, Frans Guyana,
Martinique en La Réunion, de ‘collectivités
territoriales’ Îles Saint-Pierre et Miquelon en
Mayotte, en vier overzeese territoriën: Nieuw-Caledonië,
Vanuatu, Frans Polynesië en Wallis en Futuna. Frankrijk
maakt aanspraak op een deel van Antarctica: Adélieland.
Munteenheid is de franc (F), verdeeld
in 100 centimes. Nationale feestdag is 14 juli, de dag
waarop de bestorming van de Bastille in 1789 plaatsvond.
1. FYSISCHE GEOGRAFIE
1.1 Geologie
Frankrijk bestaat vnl. uit vijf grote geologische eenheden:
het Cadomisch orogeen, het Variscisch orogeen, het
alpine orogeen, het Bekken van Parijs en het Bekken van
Aquitanië. Het Cadomisch orogeen is ontsloten in het
Armorikaans Massief. Sedimentatie en vulkanisme vonden
plaats tijdens het laatste gedeelte van het Precambrium;
de plooiing is van vroeg-cambrische ouderdom. Gedeelten
van het Variscisch orogeen vindt men op vele plaatsen in
Frankrijk. Gesteenten, gevormd of geplooid tijdens de
Variscische orogenese, komen voor in de Ardennen,
Vogezen, Bretagne, Massif Central (Centraal Massief),
Pyreneeën en in de alpine centrale massieven als Mont
Blanc, Aiguilles Rouges, Belledonne, Mont Pelvoux en
Argentera. Behalve de Ardennen bestaan de meeste
Variscische gesteenten uit kristallijne schisten en
intrusieve granieten. Niet-gemetamorfoseerde paleozoïsche
sedimenten komen betrekkelijk weinig voor, behalve in de
Pyreneeën en Bretagne. Al deze gebieden, in de
ondergrond verbonden, vormen een uitgebreid gebied van
metamorfe en intrusieve gesteenten.
Het alpine gebergte vormt in Oost-Frankrijk de
West-Alpenboog (zie Alpen); daarnaast vindt men alpine
geplooide gesteenten aan de noordrand van de Pyreneeën.
Ofschoon intensieve plooiing en regionale metamorfose
eveneens in de Alpen voorkomen, is dit gebergte toch van
geheel andere aard dan het Variscische. Men onderscheidt
verscheidene zones in het Franse deel van de Alpen, en
wel: a. de Jura, bestaande uit geplooid Mesozoïcum
dat over de Trias anhydriet is afgeschoven (decollement);
b. de Helvetische zone, die in tegenstelling tot
deze zone in Zwitserland niet uit dekbladen, maar uit
autochtone plooien bestaat, en c. de Penninische
zone, die wel uit dekbladen bestaat en waar de meeste
gesteenten in regionaal metamorfe toestand voorkomen.
Variscische centrale massieven worden tot de Helvetische
zone gerekend. Daarnaast bestaat het alpine gebergte in
Frankrijk grotendeels uit mesozoïsche gesteenten.
Gesteenten van dezelfde ouderdom vindt men in de Bekkens
van Parijs en Aquitanië, waar zij evenwel vrijwel
ongeplooid zijn. Deze bekkens vormen de epicontinentale
bedekking van het Variscisch grondgebergte, waarop zij
dus discordant liggen. In de Alpen is het Variscisch
gebergte gedeeltelijk meegeplooid tijdens de alpine
orogenese.
1.2 Geomorfologie
Schematisch onderscheidt men in Frankrijk twee grote delen.
Noord- en West-Frankrijk, die deel uitmaken van de
West-Europese laagvlakte, worden gekenmerkt door een
gematigd reliëf: kustvlakten, brede valleien, grote
sedimentaire bekkens met golvend reliëf en heuvelrijen,
evenals oude, gedenudeerde kristallijne massieven. Zuid-
en Oost-Frankrijk worden getypeerd door hoge reliëfvormen,
variërend van oude massieven met min of meer sterk
uitgesproken reliëfvormen tot jonge gebergteketens.
Tussen deze hoge reliëfvormen komen
belangrijke, in de meeste gevallen noord-zuidgerichte
depressies voor.
De oude massieven: a. het Armorikaans
Gebergte omvat naast de aan de randen gelegen
massieven: Centraal Bretagne (tot 384 m hoog), ‘Bocage
normand’ (tot 417 m hoog) en de ‘Gâtine vendienne’
(tot 295 m hoog), bestaande uit harde kristallijne
gesteenten. b. De Vogezen zijn aanzienlijk
hoger (tot 1426 m), vooral de zuidelijke hoge
kristallijne gebergten. c. Het Massif Central
(gemiddeld 715 m hoog) is een oud Variscisch vervlakt
gebergte met een algemene helling van oost naar west. De
kern omvat hoge, versneden kristallijne massieven (Monts
du Forez, 1640 m), vulkanische gebergten (Chaîne des
Puys) en basaltplateaus (Aubrac, Velay). d. Corsica
en de kustmassieven van Maures en Estérel werden
door de alpine plooiing zeer sterk opgestuwd en
sindsdien door de erosie sterk aangetast, zodat zij een
vrij chaotisch reliëf vertonen, dat in Corsica (Monte
Cinto, 2710 m) zelfs alpine allures aanneemt. e.
De Ardennen omvatten bij de Belgische grens een
klein deel van Noordoost-Frankrijk.
De jonge gebergten: a. de Pyreneeën
vormen een massieve rechtlijnige keten van 450 km
lengte. Slechts een paar toppen overschrijden de 3000 m
(Vignemale, 3298 m), terwijl ook de gletsjers zeer
beperkt zijn. Het gebergte omvat in hoofdzaak opgestuwde
kristallijne massieven. De valleien zijn alle loodrecht
op de keten. b. Het Franse deel der Alpen
vormt een 350 km lang boogsegment met jonge, hoge reliëfvormen.
De noordelijke Alpen vertonen een duidelijk door
gletsjers beïnvloede morfologie (Mont Blanc, 4807 m).
Zij zijn vochtig en hebben sterke sneeuwval in de
winter. De zuidelijke Alpen zijn lager, werden minder
door de gletsjers beïnvloed en vertonen een meer
onrustig reliëf; zij zijn veel droger. c. De Jura
bestaat uit een lagere (meer dan 500 m, maximaal 1723 m
hoog), compacte, sikkelvormige keten die zich over 250
km lengte en ca. 60 km breedte van het Massief van de
Grande Chartreuse tot Noordoost-Zwitserland uitstrekt.
Naast de oostelijke geplooide ketens omvat zij in het
westen brede kalkplateaus.
De sedimentaire bekkens: a. Het Bekken
van Parijs strekt zich uit over een derde deel van
Frankrijk. Het werd opgebouwd door een reeks
sedimentaire lagen van wisselende hardheid die
aanleiding gaf tot plateaus, cuestaheuvelruggen (côtes)
en vlakten. Van het centrum naar de rand toe
onderscheidt men het Île de France, de randplateaus uit
de Krijtperiode (Champagne, Picardië, Normandië), die
uit de Jura (Lorraine, Basse Bourgogne, Berry, Campagne
de Caen) en, in het oosten, de plateaus uit de Triastijd
(Saulnois). b. Het Bekken van Aquitanië
omvat, naast de kalkplateaus van Aunis, Saintonge, Périgord
en Quercy ten noorden van de Garonne, de grote door
rivieren versneden puinkegel, die zich waaiervormig aan
de voet der Pyreneeën uitstrekt (Plateau de Lannemezan,
Armagnac) en de uitgestrekte zandvlakte van de Landes.
1.3 Hydrografie
De meeste Franse stromen ontspringen in het gebergte, vooral
in Massif Central, Alpen, Pyreneeën, Vogezen en
hoogland van Normandië. Afgezien van een aantal
kustrivieren behoort het Franse grondgebied tot zeven
grote stroombekkens: die van de Loire, Seine, Garonne,
Rhône, Maas, Rijn en Schelde. Men kan drie zones
onderscheiden: 1. de Atlantische zone, die het
gehele lage gebied tussen Vlaanderen en Aquitanië
omvat; de rivieren worden er vooral gevoed door de
neerslag en hebben een vrij regelmatig regime; 2. de bergzone,
gekenmerkt door een onregelmatig regime met vrij
beperkte verdamping en met de hoogste waterstanden in de
lente. In Alpen en Pyreneeën zet de hoogwaterstand zich
door tot in de zomer, ten gevolge van het smelten der
gletsjers; 3. de Middellandse-Zeezone, gekenmerkt
door een zeer onregelmatig regime (groot debiet in de
winterperiode, zeer lage zomerstanden); bij aanhoudend
onweer leidt dit dikwijls tot catastrofale
overstromingen. Door een reeks regularisatiewerken
tracht men dit gevaar thans te beperken.
1.4 Klimaat Frankrijk vertoont sterke variaties in
klimatologische omstandigheden, die samenhangen met de
naar het oosten afnemende invloed van de Atlantische
Oceaan, de invloed van de Middellandse Zee in het
zuidoosten en de aanwezigheid van gebergten.
Ten gevolge van de langzame verwarming in het
voorjaar en de langzame afkoeling in het najaar van het
zeewater is nabij de kust de temperatuur in het najaar
vaak belangrijk hoger dan in het voorjaar. Hoewel het
grootste deel van Frankrijk een gematigd klimaat heeft
– Cfb volgens Köppen (geen droog seizoen en meer dan
vier maanden met een temperatuur tussen 10 en 22 °C)
– liggen de waargenomen temperatuurextremen toch ver
uiteen: Parijs met een maximumtemperatuur van ca. 40 °C
en een absoluut minimum van -16 °C.
De meeste neerslag valt langs de westkust, op
vele plaatsen meer dan 1000 mm per jaar, met een maximum
in het najaar. De minste neerslag valt in het
zuidoosten: Avignon en Marseille, met 600 mm per jaar,
waarbij zich zowel in het voor- als in het najaar een
maximum vertoont naast een scherp minimum in juli.
Overigens wordt de hoeveelheid neerslag voor een
belangrijk deel bepaald door de aanwezigheid van
gebergten: Biarritz aan de voet van de Pyreneeën met
bijna 1500 mm per jaar en Annecy in de Alpen met bijna
1300. Sneeuw van betekenis komt bijna uitsluitend in het
gebergte voor: in de Pyreneeën ligt op 2500 m hoogte
gedurende ruim 200 dagen per jaar een sneeuwdek.
Het zonneschijnpercentage neemt in het
algemeen naar de Middellandse-Zeekust toe, vooral
gedurende de zomermaanden.
De windrichting is overwegend westelijk met
echter daarnaast een voorkeur voor noordelijke
richtingen. Tijdens noordelijke wind komt in het Rhônedal
de mistral tot ontwikkeling. Andere lokale winden zijn
de föhnachtige autan en de koude noordelijke bise.
1.5 Plantengroei De rijke en
afwisselende flora (meer dan 4000 soorten hogere
planten) en vegetatie van Frankrijk kunnen in vier
hoofdgebieden worden verdeeld: Atlantisch,
Midden-Europees, alpine en mediterraan; vooral de eerste
twee gaan zeer geleidelijk in elkaar over. Beneden de
boomgrens (in de Pyreneeën op 2500 m, Franse Alpen 1900
m, Auvergne 1500 m, Vogezen 1100 m) was Frankrijk
oorspronkelijk vrijwel geheel met bos bedekt, thans voor
ca. een vierde; grote wouden vindt men nog in het Bekken
van Parijs (Fontainebleau, Compiègne), in Normandië,
en bij Orléans. In vlakte en heuvelland van het
Atlantische en Midden-Europese gebied bestaat het woud
uit loofbos: eikenberkenbos op armere gronden,
eikenhaagbeukenbos op voedselrijke gronden, beukenbos in
de opgaande oude domaniale wouden,
elzen-iepen-essenbossen in de rivierdalen. Waar geen bos
meer is, vallen in het Atlantische gebied vooral de
heiden op, waarin gaspeldoornsoorten en rode dopheide
overwegen. De duinen met hun karakteristieke
plantengroei zijn vooral goed ontwikkeld in het noorden,
op Cotentin, in Charente-Maritime en in Les Landes (daar
veelal bebost met zeeden). Beroemd zijn de orchideeënrijke
kalkhellinggraslanden, door geheel Frankrijk verspreid.
In de gebergten vindt men, van laag naar hoog: gordels
van beukenwoud, beuken-sparrenwoud, fijnsparrenwoud
(eventueel met lork) en de alpine zone.
De mediterrane flora en vegetatie in het
uiterste zuiden heeft een geheel eigen karakter. Het
oorspronkelijke steeneikenbos is nagenoeg verdwenen en
vervangen door maquis (altijdgroen doornstruweel),
garrigue (een heideachtige vegetatie met o.a. dwergeik,
lavendel en rozemarijn), olijfbossen, wijngaarden en
cultures van vijg en amandel, aan de Côte d'Azur van
sinaasappelen en citroenen.
1.6 Dierenwereld De dierenwereld
van Frankrijk sluit aan bij die van West-, Midden- en
Zuid-Europa. Alpine vormen treden op in de West-Alpen en
Pyreneeën; de kusten van Atlantische Oceaan en
Middellandse Zee hebben totaal verschillende fauna's,
vnl. vanwege de sterke temperatuurverschillen in zee.
Door de grote uitgestrektheid van het gebied treft men
een aantal verschillende elementen onder de dierenwereld
aan. De genetkat bereikt in Frankrijk zijn noordgrens;
de broedplaatsen van de flamingo in de Camargue (Rhônedelta)
zijn de noordelijkste in Europa en het
Middellandse-Zeegebied. Een ongebreidelde jacht op alle
mogelijke soorten van wild en vogels heeft bijgedragen
tot de verarming van de fauna; nationale parken en
reservaten zijn nog te gering in aantal om het
voortbestaan van talloze zeldzaam geworden soorten te
waarborgen.
2. BEVOLKING
2.1 Samenstelling en spreiding
Het inwonertal nam in de 19de en in begin 20ste eeuw zeer
langzaam toe. Tussen de beide wereldoorlogen kende men
zelfs jaren met een duidelijke bevolkingsvermindering.
Na 1945 nam de bevolking weer sterk toe, mede dankzij
een krachtige demografische politiek, de vooruitgang in
de gezondheidszorg en de uitbreiding van de sociale
voorzieningen. Vanaf het midden van de jaren zestig nam
de bevolkingsgroei sterk af. Sinds 1977 is er sprake van
een lichte toename. In 1992 was het geboortecijfer 13‰
en het sterftecijfer 9‰. De levensverwachting bij
geboorte was voor vrouwen 81 jaar en voor mannen ruim 73
jaar. Naast de natuurlijke bevolkingstoename is een
aanzienlijk deel van de toename toe te schrijven aan de
immigratie van buitenlanders (m.n. Algerijnen,
Portugezen, Italianen, Spanjaarden, vluchtelingen uit
Frans-Afrika en Marokkanen). Hun aantal maakte in 1990
6,3% van de totale bevolking uit; de meesten (85%) wonen
in Parijs en omstreken, in de regio Rhône-Alpes en op
Corsica.
Regionaal was de demografische groei
zeer uiteenlopend. Noord-Frankrijk vertoont traditioneel
een veel sterkere natuurlijke groei dan Zuid-Frankrijk.
De gemiddelde bevolkingsdichtheid bedroeg in 1994 106
inw. per km2, maar de bevolking is zeer ongelijk
verspreid. Naast dunbevolkte, meestal centraal gelegen
gebieden, zoals het Massif Central, de plateaus van het
Parijse Bekken, Les Landes en het hooggebergte, zijn er
dichtbevolkte gebieden, die vrij periferisch gelegen
zijn, zoals de departementen Ville de Paris, Nord, Rhône,
Val de Marne en Hauts-de-Seine. Het betreft hetzij zones
met intensieve landbouw, hetzij, en vooral, industriële
en stedelijke zones. Driekwart van de bevolking woont in
de stad, m.n. in Parijs (ca. 20%). Het overwicht van
Parijs heeft een grote weerslag op de economie. Door de
vorming van ‘métropoles d'équilibre’ (Nantes,
Lille, Nancy, Strasbourg, Marseille, Bordeaux, Toulouse
en Lyon) heeft men getracht het evenwicht in Frankrijk
te herstellen en de groei van Parijs af te remmen.
2.2 Taal
Officiële taal is het Frans, daarnaast wordt door minderheden
Bretons gesproken, Occitaans (het zuiden), Baskisch (in
de westelijke Pyreneeën), Duits (Elzas-Lotharingen),
Nederlands (Frans Vlaanderen), Catalaans (Roussillon),
Italiaans (rond Nice), Corsicaans (op Corsica). Zie
voorts Franse taal.
2.3 Religie De bevolking is voor ca. 80% rooms-katholiek,
voor 4,5% islamitisch (overwegend soennitisch) en voorts
zijn er kleine minderheden van protestanten, joden en
Armeens-christelijken. Sinds de herroeping van het Edict
van Nantes in 1685 door Lodewijk XIV was het katholicisme
staatsgodsdienst. Sinds de scheiding van kerk en staat
in 1905 heeft de staat geen enkele bemoeienis meer met
de hiërarchie. De bisschoppen worden door Rome benoemd
(alleen voor die van Elzas en Lotharingen geldt, wegens
hun aansluiting bij Duitsland van 1870 tot 1918, een oud
concordaat). De Rooms-Katholieke Kerk heeft in Frankrijk
achttien kerkprovincies en in totaal 95 bisdommen.
Protestantisme. Na de Bartholomeüsnacht (1572) was de
kracht van het protestantisme in Frankrijk gebroken (zie
hugenoten). Door de wet van 1802 werden de protestantse
kerken erkend. De voornaamste zijn: de Église Réformée de
France, de Église de la Confession d'Augsburg d'Alsace
et de Lorraine, de Église évangélique luthérienne en
de Église réformée d'Alsace et de Lorraine. Sinds 1905 bestaat een federatie van
protestantse kerken (gereformeerden, lutheranen,
baptisten, methodisten, vrije kerken): de Fédération
protestante de France. Protestantse theologische
faculteiten voor de opleiding van predikanten zijn
gevestigd te Aix-en-Provence, Montpellier, Parijs en
Straatsburg; de laatste twee zijn interconfessionele
faculteiten. De invloed van de protestanten in Frankrijk
is relatief groot.
3. BESTUUR EN SAMENLEVING
3.1 Staatsinrichting
Volgens de grondwet van 1958 (aangevuld per referendum in
1962) is Frankrijk een parlementaire republiek waarvan
de door het volk bij algemeen stemrecht rechtstreeks
voor zeven jaar gekozen president uitgebreide volmachten
bezit. Hij vaardigt de door het parlement of door het
volk (in geval van referendum) aangenomen wetten uit,
tekent de besluiten van de ministerraad, die hij
voorzit, benoemt de eerste-minister en kan in geval van
nood het geheel van de wetgevende en uitvoerende macht
tot zich trekken en de ontbinding der Nationale
Vergadering uitspreken. De regering, aangevoerd door de
eerste-minister, wordt op diens voorstel benoemd door de
president. Zij bepaalt en geeft uitvoering aan de
algemene politiek van de natie. Zij is verantwoording
verschuldigd aan de Nationale Vergadering.
De wetgevende macht wordt uitgeoefend door het
parlement, dat uit twee kamers bestaat: de rechtstreeks
voor vijf jaar gekozen Nationale Vergadering (Assemblée
nationale), die 577 leden telt (van wie 22 uit de
overzeese departementen en gebiedsdelen) en de niet
rechtstreeks (in hoofdzaak door de leden van de conseils
généraux – de departementale raden – en de
gemeenteraden) gekozen en met minder bevoegdheden
beklede senaat, die 321 leden telt (12
vertegenwoordigers van de Fransen in het buitenland en
13 voor de overzeese departementen en gebiedsdelen); de
leden hebben negen jaar zitting; om de drie jaar wordt
de senaat voor een derde vernieuwd. Stemrecht hebben
alle Franse staatsburgers vanaf 18 jaar. Om gekozen te
worden voor de Nationale Vergadering moet men minimaal
23 jaar zijn; voor de senaat is dat 35 jaar. Zie ook §3.4:
politieke organisatie.
3.2 Administratieve indeling De Franse staat
telt 22 regio's, die verdeeld zijn in 96 departementen.
Het land kent verder: vier overzeese departementen, de
‘Départements d'Outre-Mer’ (DOM): Frans Guyana,
Guadeloupe, Martinique en Réunion; drie overzeese
gebiedsdelen, de ‘Territoires d'Outre-Mer’ (TOM):
Frans Polynesië, de Wallis en Futuna-eilanden en Nieuw
Caledonië; de twee overzeese ‘collectivités
territoriales’ Mayotte en St-Pierre-en-Miquelon en
enkele gebieden op de zuidpool, ‘Les Terres Australes
et Antarctiques Françaises (TAAF). De prefet, die aan het hoofd van iedere regio en ieder departement staat,
is de vertegenwoordiger van de regering en van iedere
afzonderlijke minister. De departementen zijn verdeeld
in arrondissementen (325), met aan het hoofd een sous-prefet;
de arrondissementen zijn verdeeld in kantons (3714) en
deze op hun beurt in 36 433 gemeenten (90% van de
gemeenten telt minder dan 2000 inw.). De
arrondissementen en kantons hebben slechts
administratieve betekenis.
Frankrijk heeft vanouds een sterk
gecentraliseerde bestuursvorm. Om het bestuur beter te
doen functioneren zijn tussen 1982 en 1988 verschillende
decentralisatiewetten ingevoerd teneinde een
herverdeling van taken en bevoegdheden te
bewerkstelligen. De regio's hebben een kwaliteit van
‘collectivité territoriale’ gekregen:
publiekrechtelijke rechtspersonen met een uitgebreid
pakket eigen rechten en verplichtingen. Verder voorziet
de wet in de overdracht van executieve bevoegdheden van
de prefet de la région en de prefet aan
de voorzitters van resp. plaatselijk gekozen regionale
raden (conseils régionaux) en departementale
raden (conseils généraux). De regio Corsica
heeft sinds 1981 een aparte status.
3.3 Lidmaatschap van internationale
organisaties Frankrijk is lid van de Verenigde Naties (en permanent lid van de
Veiligheidsraad) en een aantal van haar suborganisaties
(het hoofdkwartier van de onderwijsorganisatie van de
Verenigde Naties, UNESCO, is in Parijs gevestigd), de
EU, de Raad van Europa, de Organisatie voor Economische
Samenwerking en Ontwikkeling (OESO; hoofdkwartier in
Parijs), de Wereld Handels Organisatie (WTO)en de NAVO.
In 1966 heeft Frankrijk de beschikbaarstelling van zijn
strijdkrachten aan het geallieerd NAVO-commando beëindigd;
wel bleef Frankrijk politiek lid van de NAVO. Na de
Koude Oorlog kwamen gesprekken tussen Frankrijk en de
NAVO op gang en werd afgesproken dat het land betrokken
zou worden in besprekingen over de nieuwe doelstellingen
van de NAVO. Sindsdien participeert Frankrijk weer in
een aantal NAVO-overleginstanties.
3.4 Politieke organisatie; partijwezen;
vakbeweging Kamer- en presidentsverkiezingen voltrekken zich in twee ronden. Wanneer de
kandidaat in de eerste ronde meer dan 50% van de stemmen
in zijn kiesdistrict op zich weet te verenigen, is hij
direct gekozen. Slaagt hij daarin niet, dan volgt een
tweede ronde waarin een enkelvoudige meerderheid
voldoende is. Bij de presidentsverkiezingen kunnen
alleen twee kandidaten die de meeste stemmen hebben
behaald tijdens de eerste ronde, meedoen aan de tweede
ronde. Voorwaarde bij de parlementsverkiezingen is dat
de kandidaat in de eerste ronde ten minste 12,5% van de
stemmen heeft behaald.
De invoering van rechtstreekse
presidentsverkiezingen heeft een hergroepering van de
grote politieke formaties en een polarisatie van de
politieke strijd tot gevolg gehad.
Van de talrijke partijen en bewegingen
zijn de belangrijkste ter linkerzijde de Parti
Socialiste (PS), de Parti Communiste Français (PCF) en
de Parti Radical de Gauche (PRG), voortgekomen uit de
Mouvement des Radicaux (MRG).
De PS, in 1969 ontstaan uit een samengaan van
verschillende socialistische partijen, staat een
gematigd socialisme voor.
De PCF, opgericht in 1920, kende haar
bloeitijd tussen 1968, toen zij zich van ‘Moskou’
afkeerde ten gunste van het zgn. ‘eurocommunisme’,
en 1984 toen er door een breuk met de PS een einde kwam
aan haar regeringsverantwoordelijkheid. Na de val van de
communistische regimes in Oost-Europa in 1989 kwam de
partij onder grote druk te staan.
De PRG hecht aan een humanistisch socialisme.
De belangrijkste partijen ter
rechterzijde zijn de Rassemblement pour la République (RPR),
de Parti Républicain (PR) en het Centre des Démocrates
Sociaux (CDS). De RPR is de eind 1976 door Jacques René
Chirac opgerichte opvolgster van de gaullistische UDR en
steunt vooral op de oudere conservatieve kiezers. De PR
(tot 1977 Républicains Indépendants) werd opgericht
door Valéry Giscard d'Estaing in 1966 en volgt een
gematigder, meer pragmatische koers dan de RPR. De CDS,
ontstaan in 1976 uit een fusie van het Centre Démocrate
en het Centre Démocratie et Progrès, draagt als
bijnaam de ‘Unie van het midden’.
De centrumpartijen vormden begin 1978 de Union
pour la Démocratie Française (UDF), samengesteld uit
de PR, het CDS en een deel van de Parti Radicale
Socialiste (PRS). Het Front National (FN) van Jean-Marie
Le Pen, opgericht in 1972, is een extreem-rechtse
politieke partij, die vooral sedert het midden van de
jaren tachtig een politieke machtsfactor is geworden.
Bij de parlementsverkiezingen van 1997 leed zij echter
een gevoelige nederlaag en wist zij slechts één zetel
te bemachtigen. In 1998 kwam het tot een splitsing: de
door Jean-Marie Le Pen geschorste Bruno Mégret richtte
de Mouvement National op. Les Verts (De Groenen), in
1984 ontstaan uit het samengaan van de Confédération
Écologiste en de Parti Écologiste, staan een politiek
voor die ecologie als uitgangspunt heeft.
Slechts 10% van het werkende deel van de
bevolking is aangesloten bij een vakbond. De grootste vakbond is de Confédération Générale
du Travail (CGT) met 855 000 leden. De Force Ouvrière splitste zich in 1947 af van de CGT. Haar leden (ca. 1
miljoen) zijn vnl. socialisten en links-radicalen. De
Force Ouvrière is de meest gematigde van de grote
vakbonden. De derde grote vakbond is de Confédération Française Démocratique du
Travail (CFDT), de sinds 1964 geseculariseerde
voortzetting van de Confédération Française des
Travailleurs Chrétiens (CFTC; opgericht in 1919), met
558 000 leden. Als kleinere
verenigingen moeten nog de Fédération de l’Éducation
nationale met 395 000 leden worden genoemd
(Vereniging van leraren) en de christelijke kern van de
zelfstandig voortbestaande CFTC met 260 000 leden.
Ook boeren en leidinggevende functionarissen beschikken
over eigen organisaties.
4. ECONOMIE
4.1 Inleiding De industriële ontwikkeling kwam in
Frankrijk pas laat op gang en tot de Tweede Wereldoorlog
waren alle bedrijfstakken ondergeschikt aan de landbouw.
Een belangrijke wijziging in de economische politiek na
1945 vormde de instelling van een algemeen planbureau,
waardoor de invloed van de overheid sterk toenam. De
door het planbureau opgestelde plannen moeten door het
parlement worden goedgekeurd en dienen m.n. als kader
voor het particuliere en publieke investeringsbeleid. Zo
werd in 1945 de nationalisatie van de energiesector, de
vier grote bankinstellingen, de grote
verzekeringsorganisaties en de automobielfabriek Renault
doorgevoerd. De Franse staat legde ook de hand op het
openbaar vervoer. De relatief geringe schade tijdens de
Tweede Wereldoorlog werd, mede dankzij de Marshallhulp,
snel overwonnen. De Franse staat voerde een krachtige
expansiepolitiek, al ging dit gepaard met een stijgende
inflatie en devaluatie van de franc. De integratie in
Europa (EGKS 1951, EEG 1957), de planpolitiek waarin
overheid, particulier bedrijfsleven en vakbeweging nauw
samenwerken en het fiscale beleid dat investeringen
aanmoedigt, leidden tezamen tot een sterke groei van de
industrie (m.n. de mijnbouw, metaalverwerking,
elektronica en petrochemische industrie); de bedrijven,
voor zover niet genationaliseerd, bereikten door
concentraties Europees formaat. Sinds 1945 is de
industriële productie snel gestegen. Tussen 1970 en
1980 was er, ondanks de teruggang in 1975 als gevolg van
de internationale recessie, sprake van een
productiestijging van 33%. In de jaren 1980–1982
stagneerde de groei. Evenals de meeste industrielanden
had Frankrijk in de jaren tachtig te kampen met hoge
inflatiepercentages, massale werkloosheid en een dalende
vraag. De nationalisaties van 1982 (o.a. Matra,
Saint-Gobain en Bull) moesten Frankrijk de middelen
verschaffen om een coherent industriebeleid te voeren en
om machtsconcentraties te beperken. Een vijfjarenplan,
opgesteld in 1986, beoogde 65 staatsbedrijven (waaronder
in 1982 genationaliseerde bedrijven) te privatiseren.
Met de verkoop van staatsbedrijven hoopte men de
staatsschuld te verminderen. Zowel stagnatie in de
industrie als herstructurering van genationaliseerde
bedrijven leidde tot een toename van de werkloosheid (in
1997: ruim 12%). Aan het eind van de jaren tachtig trad
echter een onverwacht gunstige conjunctuurontwikkeling
op, veroorzaakt door een goede financieringspolitiek,
dalende olieprijzen en belastingverlichting. De
economische groei bedroeg van 1990 tot 1994 0,8%. In
1998 was deze gestegen tot 3%, terwijl de inflatie tot
onder de 1% daalde.
De verdeling van de beroepsbevolking over de
verschillende economische sectoren (1994) is: landbouw:
5%; industrie: 27% en dienstensector: 68%. Vrouwen maken
bijna de helft van de beroepsbevolking uit, buitenlandse
werknemers ruim 6%.
4.2 Landbouw, veehouderij, bosbouw en visserij
Frankrijk bezit met 320 000 km2 cultuurgrond (ca. 60% van de totale
landoppervlakte) het grootste landbouwareaal in
de EU (eenderde van alle landbouwgrond in de EU).
Hiervan is 58% akkerland, ruim 37% blijvend grasland en
bijna 5% is bedekt met blijvende gewassen (fruit,
olijven, wijngaarden). Teeltverbetering, uitbreiding van
de bedrijfsgrootte (o.a. door herverkaveling en coöperaties)
en mechanisatie vormen een belangrijke bijdrage tot de
productiestijging per ha. Het streven is de gemiddelde
bedrijfsgrootte (ca. 30 ha in 1988) verder op te voeren
door uitkoop van kleine bedrijfjes (in 1990 waren er
924 000 boerenbedrijven, 600 000 minder dan
in 1970). Ruim de helft van alle agrarische bedrijven
wordt in eigendom bewerkt.
De vruchtbaarste landbouwzones komen voor op
de leemplateaus van het Bekken van Parijs en in het
noorden (tarwe, suikerbieten, koolzaad, vlas). Ook de
Elzas, de grote riviervalleien en de geïrrigeerde zones
van het zuiden zijn rijke landbouwgebieden. Hop wordt
vooral in de Elzas en in Frans-Vlaanderen geteeld.
Cultuur van haver en gerst is meer verspreid; behalve in
de hierboven genoemde gebieden is zij ook elders in
Noord-Frankrijk belangrijk (o.a. plaatselijk in Bretagne).
Maïs wordt verbouwd in Languedoc en Aquitanië, rijst
(sterk teruggelopen in de jaren zeventig) in de Camargue.
Tuinbouw en wijngaarden zijn vooral gelokaliseerd in de
valleien van Loire, Garonne, Rhône en langs de
Middellandse-Zeekust. Tuinbouw komt bovendien ook voor
rond Parijs, in de kuststreken van Bretagne, in de Elzas
en Frans-Vlaanderen. De Franse wijnverbouw omvat
hoogwaardige wijnen (zie Franse wijnen). Frankrijk neemt
een belangrijke plaats in op de wereldranglijst van
producenten van tarwe (zesde), gerst (vijfde), suiker
(zesde) en wijn (eerste).
Veehouderij. Frankrijk is de grootste vlees- en zuivelproducent in Europa. Veehouderij
is verspreid over het hele land. Runderen vindt men
vooral in de Atlantische zone: Normandië, Bretagne,
Picardië en Frans-Vlaanderen. Ook de randgebieden van
het Massif Central zijn belangrijke rundveestreken. De
schapenhouderij, die vooral in het Massif Central, rond
de Rhônemonding en in de Pyreneeën beoefend wordt, is
belangrijk èn voor het vlees èn voor de kaas.
Algemeen is er ook in de veehouderij een
sterke tendens tot mechanisatie, uitbreiding der
landbouwcoöperaties en herverkaveling, terwijl
grootscheepse irrigatiewerken (o.a. de Languedoc, Basse
Durance, Rhônevallei) de landbouw van het mediterrane
gebied hervormen.
Bosbouw. De oppervlakte bos neemt geleidelijk toe door bebossing van woeste
gronden, verlaten akkers en berggebieden en omvatte in
1995 27% van het totale landoppervlak. Tevens wordt het
bestaande bosbestand verbeterd. Ongeveer tweederde deel
van het bos bestaat uit loofbomen. De aanplant van
naaldbomen wordt snel uitgebreid wegens het hoger
rendement. Een derde van de beboste grond staat onder
toezicht van de staat; de rest is in handen van
particulieren en is als gevolg van verspreide ligging
niet geschikt voor exploitatie. Er werken 550 000
mensen in de bosbouw en de houtindustrie.
Visserij. Ondanks de uitgestrekte kust vormt de visserij geen belangrijke sector van
de economie. Europese richtlijnen (vangstquota)
verhinderen een uitbreiding. Visserij geeft slechts aan
0,1% van de totale beroepsbevolking werk. Zij omvat
naast kustvisvangst ook, maar in steeds mindere mate,
diepzeevangsten. De voornaamste havens zijn voor de
Noordzee en Het Kanaal: Boulogne, Fécamp, Dieppe; voor
Bretagne: Concarneau, Lorient, Douarnenez-Camaret; voor
de Golf van Biskaje: La Rochelle, Bayonne; voor de
Middellandse Zee: Sète. De oesterkwekerijen kennen een
sterke uitbreiding, o.a. Arcachon, Marennes, Morbihan,
Bouzigues. Mosselen in o.a. de Charente-Maritime (Baie de l'Aiguillon).
4.3 Mijnbouw en energievoorziening De kolenmijnen
zijn sinds 1946 genationaliseerd en daarna sterk
gemoderniseerd. Meer dan 60% van de kolen wordt geleverd
door het Bekken van Lotharingen, ca. een kwart door de
kleine bekkens in Zuid- en Midden-Frankrijk (vooral rond
het Massif Central) en de rest door het Bekken van het
Noorden en Pas de Calais (voorheen het belangrijkste
bekken). Als gevolg van het verminderde rendement en de
ontwikkelingen op het gebied van kernenergie wordt de
productie geleidelijk afgebouwd (in 1976 nog 22 miljoen
ton, in 1987 16 miljoen ton; voor 1995 geschat op 9
miljoen ton). Daarnaast wordt jaarlijks ca. 15 miljoen
ton ingevoerd.
De (kleine) aardolieproductie is grotendeels
afkomstig van de velden van Parentis-en-Born in Les
Landes, voorts uit het Bekken van Parijs. De productie
van aardgas (Lacq) stagneert na een jarenlange sterke
stijging. Een daling wordt voorzien, indien op korte
termijn geen nieuwe gasbellen worden ontdekt. Het gas
wordt vnl. verdeeld in Zuidwest-Frankrijk.
Frankrijk is lange tijd de belangrijkste
ijzerproducent van Europa geweest, vooral dankzij de
ijzerertsformaties in Lotharingen. De productie is
echter sterk gedaald (1970: ca. 56 miljoen ton, 1995:
1,5 miljoen ton) als gevolg van een tekort aan
afzetmarkten en concurrentie van veel rijkere
ijzerertsformaties in overzeese gebieden en in Zweden.
Naast een geringe productie van zinkerts en looderts
(Pyreneeën, Alpen), uraanerts (Massif Central en
Bretagne) en andere minder belangrijke grondstoffen
heeft Frankrijk een belangrijke productie van
aluminiumerts in de Provence (Frankrijk is na Duitsland
de belangrijkste producent van aluminium in de EEG),
kaliumzouten in de Elzas en klipzout (Lotharingen,
Franche-Comté).
Energievoorziening. De elektriciteitsproductie is sterk
gestegen. Nog maar 10% van de elektrische energie is
afkomstig van thermische centrales, ca. 20% van
waterkrachtcentrales en ruim 70% van kerncentrales. Voor
de levering van aardolie is Frankrijk sterk afhankelijk
van het Midden-Oosten, voor aardgas van Algerije (36%)
en Nederland (14%), voor kolen van Duitsland, Polen en
Zuid-Afrika. Om in de toekomst zoveel mogelijk
zelfstandig in zijn energiebehoefte te kunnen voorzien
heeft Frankrijk de ontwikkeling van kernenergie een hoge
prioriteit gegeven en is door een versneld uitgevoerd
energieprogramma het gebruik van kernenergie snel
toegenomen.
4.4 Industrie Na een fase van exceptionele groei in de
jaren zestig (verdubbeling van de productie) kreeg de
industrie, evenals andere sectoren van de economie, te
lijden van de crisis. Niettemin steeg de industriële
productie mede door de sterk gepropageerde
schaalvergroting. De belangrijkste industriegebieden
liggen in het noordoosten, ten oosten van de lijn Le
Havre–Marseille. Het Parijse stadsgewest is een groot
centrum van de verwerkende industrie (auto's, elektrisch
en elektronisch materiaal, farmaceutische en
fotografische producten). Naast de researchlaboratoria,
de ‘haute couture’, de ‘articles de Paris’
(sieraden, juwelen, parfums) en de uitgeverijen zijn ook
de voedingsmiddelen- en de verwerkende metaal- en de
meubelindustrie er bijzonder goed vertegenwoordigd. De
industriegebieden van het noorden en noordoosten (Elzas-Lotharingen)
zijn de belangrijkste centra van zware metallurgie,
tevens van chemische industrie. De textielindustrie
heeft er een oude traditie.
Als derde groot Frans industriegebied fungeert
rond Lyon het gebied van Rhône en Alpen. Het oude
textielgebied rond Lyon en de oude steenkool- en
metallurgiekernen van St-Étienne en Le Creusot kennen
een nieuwe ontwikkeling dankzij uitbreiding van de
metaalconstructie en (organische) chemische industrie en
vooral de goedkope waterkrachtenergie, die in de Alpen
de stoot gaf tot moderne elektrochemische en
elektrometallurgische bedrijven.
Secundaire industriezones zijn die aan de
Middellandse-Zeekust, waar zoutpannen, bauxietmijnen,
het aardoliecomplex van Berre en de oude
vetstofverwerkende industrie de basis vormen voor een
moderne chemische en aluminiumindustrie; er is voorts
metaalconstructie, scheepsbouw en meststofproductie.
Zuidwest-Aquitanië is een groeiend industriegebied
dankzij de elektrochemische en metallurgische bedrijven
in de Pyreneeën, de chemische bedrijven van Lacq en de
vliegtuigbouw van Toulouse. In Bretagne zijn naast de
oude voedingsnijverheid en scheepsbouw ook de
auto-industrie en de elektronische constructie sterk
uitgebreid. De Franse regering tracht de decentralisatie
te bevorderen.
In 1984 is een hervormingsplan voor de Franse
industrie afgekondigd. Dit plan voorziet o.a. in
subsidiemaatregelen voor bedrijven die zich in
stimuleringsgebieden vestigen en arbeidsplaatsen creëren.
Frankrijk telt talrijke textielgebieden. Het
noorden is het belangrijkste centrum voor de wol- en
vlasweefsels, maar is ook een belangrijke
katoenproducent. De Vogezen (Mulhouse) en de streek van
de Beneden-Seine (Rouen) zijn vooral gespecialiseerd in
katoen. Lyon is het grote productiegebied van de
synthetische en kunstmatige vezelverwerking. In de
Languedoc is Mazamet een gespecialiseerde producent van
wollen weefsels. De textielindustrie is overigens in de
jaren zeventig verder achteruitgegaan. Confectie is
naast Parijs en het noorden verspreid over alle grote
centra en vormt een belangrijk uitvoerproduct. De
uiterst gediversifieerde metaalconstructie omvat vooral
productie van auto's (Parijs c.a., Bretagne, Lyon,
Noord-Jura en sinds de jaren tachtig, in het kader van
de industriële herstructurering, in het noorden en in
Lotharingen om zodoende nieuwe arbeidsplaatsen te creëren
na het verval van de ertswinning), scheepsbouw (St-Nazaire,
Bordeaux, Le Havre, Duinkerke, omgeving Marseille),
vliegtuigbouw (Parijs, Toulouse, Nice), elektrisch
materiaal, o.m. Compagnie Générale d’Électricité
|